Pagina's

28.11.12

Legende van Lovecraft 03: De Tombe











Geef toch toe, dat je van kindsbeen af een dromer bent geweest. Dat je zag en hoorde wat anderen niet konden zien of horen – doorschijnende wezens in het woud van je dromen, een stem in je hoofd die de jouwe niet was: nu eens was de stem van een man, dan weer die van een vrouw, een jongen, een meisje. Maar ze sprak altijd Engels, zodat jij de taal van Shakespeare al machtig was nog voor je de driewieler inruilde voor een echte fiets, en zonder één enkele les te krijgen. Je kon geen Engels schrijven en je durfde het niet spreken – omdat je het later ook niet wilde, is je accent altijd afschuwelijk gebleven –, maar je begreep alles wat de stemmen je vertelden. Bijvoorbeeld, hoe je voortdurend verdwaalde…
… in realms apart from the visible world; spending my youth and adolescence in ancient and little known books, and in roaming the fields and groves of the region near my ancestral home. I do not think that what I read in these books or saw in these fields and groves was exactly what other boys read and saw there, but of this I must say little…
Achter het huis van je grootouders bevond zich het restant van de heirbaan Tongeren-Boulogne, die onder meer het Romeinse legerkamp van Assche verbond met de Nervische hoofdstad Bagacum Nerviorum, oftewel: Bavay. Maar lang voordien volgden Keltische handelaars deze route al; daarop wezen de talloze grafheuvels uit Brons- en IJzertijd. De route sneed dwars door het oeroude Kolenwoud en zou later nog uitstekende diensten bewijzen voor het transport van de zandsteen die in de streek van Asse, Meldert, Erembodegem en Affligem werd gewonnen, en waarmee onder meer de Sint-Michielskathedraal van Brussel, de Sint-Janskathedraal van ’s-Hertogenbosch, de Sint-Martinuskerk van Aalst en de abdij van Affligem werden gebouwd. Uitgeputte zandsteengroeven lieten diepe kraters achter, die zich vulden met water en in het beste geval veranderden in visvijvers, in het slechtste in verraderlijke moerassen. Eén zo’n gat in de grond, de Duivelsput, had in de loop der tijden een uitzonderlijk kwalijke reputatie verworven, en toch was het in zijn…
… twilight deeps I spent most of my time; reading, thinking, and dreaming. Down its moss-covered slopes my first steps of infancy were taken, and around its grotesquely gnarled oak trees my first fancies of boyhood were woven.
Hier is het dat je voor het eerst een bosnimf hebt gezien, uitgelaten dansend in het maanlicht – haar naam klonk als Isa... of Lisa. Maar laten we het hier verder niet over hebben, mijn jonge vriend – want zoals ik in mijn verhaal The Tomb op een open plek in het bos de eenzame tombe van de Hyde familie heb gevonden, zo vond jij daar, met Duivelsput en Galgenberg in de rug, aan de oever van de Zwarte Vijver, het kleine mausoleum van de Heren Verbrugghen. Hun kasteel was in de jaren dertig met de grond gelijk gemaakt, maar de paters van de abdij van Affligem hadden hun naam het eeuwige leven geschonken. Niemand wist waarom precies, of het zou moeten zijn dat de paters net op deze manier het ultieme bewijs hoopten te leveren dat het Goede wel degelijk had gezegevierd op het Kwaad, en dat van de Boze werkelijk niets meer te vrezen viel. En hoe konden ze dat beter doen door het domein van de Heren Verbruggen, met zijn Duivelsput en Galgenberg, ook officieel om te dopen tot een ‘Domein Verbrugghen’? De Heren Verbrugghen – van Dames was merkwaardig genoeg nooit sprake in de familiegeschiedenis –
… the race whose scions are here inurned had once crowned the declivity which holds the tomb, but had long since fallen victim to the flames which sprang up from a stroke of lightning. Of the midnight storm which destroyed this gloomy mansion, the older inhabitants of the region sometimes speak in hushed and uneasy voices; alluding to what they call 'divine wrath'…

Nooit zal je de namiddag vergeten toen je voor het eerst op dat verborgen doodshuis stootte. Het was hoogzomer, en het was of je werd bedwelmd door de subtiele geuren van het bos, zijn planten en bloemen, zijn kreupelhout en struikgewas. De geest verliest ieder perspectief  in die omstandigheden; tijd en ruimte worden irreële begrippen, en echo’s van een vergeten voorhistorisch verleden dringen je bewustzijn binnen.
Je kwam hier vaak met je grootvader, maar nooit was je zo ver geweest. Er hingen overal bordjes met Verboden toegang! of Privé Terrein en je zag er zelfs met een doodskop en daaronder in vlammend rood: Danger! En volgens je grootvader lagen er in de buurt van de Zwarte Vijver nog volop ‘wolfsijzers en schietgeweren’ uit de tijd van de Heren Verbrugghen.
Een hele dag had je door de restanten van dit mystieke Kolenwoud gedwaald, langs een karrenspoor dat nog herinnerde aan de antieke Romeinse weg…
… thinking thoughts I need not discuss, and conversing with things I need not name. In years a child of ten, I had seen and heard many wonders unknown to the throng; and was oddly aged in certain respects.
En toen – je baande je een weg door een veld van braamstruiken – stootte je plots op dat kleine dodenhuisje, opgetrokken uit de zandsteen waarvoor deze streek in lang vervlogen tijden bekend had gestaan. De deur stond op een kier, maar een ijzeren ketting en hangsloten verhinderden je de kluis te betreden.
Aangespoord door een stem, die nu eens niets anders leek te zijn dan de zwarte ziel van het Kolenwoud zelf, dan klonk als die van mij of zelfs die van de bosnimf Lisa, gluurde je door de kille vochtige spleet naar binnen. Je trok en sleurde aan de roestige ketens in de hoop de deur verder open te krijgen en zo toch nog naar binnen te kunnen glippen, maar het was al tevergeefs.
And returning home in the thickening twilight, you have sworn to the hundred gods of the grove, that at any cost you would someday force an entrance to the black and chilly depths, that seemed calling out to you.
De tombe fascineerde en obsedeerde je. Op een of andere manier associeerde je de kille zandsteen met een warm en ademend vrouwenlichaam, met de baarmoeder zelfs waaruit de Heren Verbrugghen waren ontsproten – en dan had je nog niet eens Freud gelezen.
Je besefte heel goed dat de geheimen van de sinistere Heren van de Duivelsput hier samen met hen waren begraven. Je dacht aan het gedempte gefluister van de volwassenen, en hun verhalen over de zonderlinge rituelen en losbandige festijnen die hadden plaatsgevonden op het domein van het kasteel dat er nu niet meer was. En dat dit de reden was waarom het moest worden afgebroken… of waarom een Goddelijke Bliksem de Tempel van de Boze in de as had gelegd – het onderscheid was niet zo duidelijk.  
Dagenlang zat je te mijmeren voor de op een kier staande deur van de tombe. Je bracht een sterke zaklamp mee en speurde het voorportaal af, maar je ontdekte alleen het begin van een stenen trap die in de aarde verdween. De geur van verderf was weerzinwekkend, en toch trok het je aan. In een verleden dat voorbij je herinneringen lag, zelfs voorbij het lichaam waarover je nu kon beschikken, was je hier al eens geweest.
How many years have you been looking forward with hot eagerness to this moment, my love?
Hoevele jaren had je – opgewonden en verlangend – uitgekeken naar dit moment? Naar het ogenblik waarop je door een glibberige poort naar binnen zou glippen, om af te dalen in de duisternis van die stenen treden?
Here you would lie outstretched on the mossy ground, thinking strange thoughts and dreaming strange dreams.
Uitgestrekt op de mosgrond voor de ingang van de tombe dacht je vreemde gedachten en droomde je vreemde dromen. Het voelde onmiskenbaar aan als een ontwaken, toen je mijn stem weer hoorde – monotoon, mechanisch, en met dat ongewone vocabularium, die merkwaardige uitspraak.
Was het je verbeelding, of werd daar inderdaad haastig een licht gedoofd in dit haast volkomen in het drijfzand verzonken heiligdom?
Niet dat je overmeesterd werd door paniek, je was zelfs nauwelijks geschrokken. Gehoor verlenend aan een plotselinge ingeving, ging je naar huis en opende de oude zeemanskist in de schuur, die je lang geleden had gekregen van je grootvader, om je speelgoed in te bewaren. Hij was timmerman, hij had ze nog met zijn eigen handen gemaakt.
Het verwonderde je niet dat je er een sleutel in vond waarvan je was vergeten dat hij er ooit was geweest, of op welk slot hij paste.
And so, in the soft glow of late afternoon, you enter the vault. A spell is upon you, your heart leaps with an exultation you can but ill describe.
Wanneer je de deur achter je sluit en in het eenzame licht van een kandelaar de gladde trap afdaalt, lijkt het of je de weg hier kent. And though the candle sputters with the stifling reek of my place, you feel singularly at home in this musty, charnel-house air.
Zoals je kan zien, rusten de kisten op marmeren tafels. Sommige zijn verzegeld en intact, andere zo goed als verdwenen, leaving the silver handles and plates isolated amidst certain curious heaps of whitish dust.
Op een koperen plaatje lees je de naam die ooit de mijne was: ‘Philippe Verbrugghen.’
En in een alkoof vind je twee namen die je doen glimlachen, en beven op je benen. Om vervolgens de kaars uit te blazen, als voor het slapen gaan, om in de kist te gaan leggen naast je bosnimf, op de lege plaats die daar voor jou werd gereserveerd…


(Foto: Highgate Gothix Remix by Anders B.)





Zie ook: 
 

Thinking of H.P. Lovecraft's Tomb free download






22.11.12

Legende van Lovecraft 02: De Carrousel uit de Hel





Mijn jonge vriend,

U vraagt zich af wie ik ben, wie ik werkelijk ben, en wat mij drijft. U bent niet (meer) in staat mij op mijn woord te geloven. Dat begrijp ik. U hebt zelf te veel verhalen verzonnen en al te vaak uw fictie vermomd als een feit, om zonder meer geloof te hechten aan een correspondent die plotseling uit het niets is opgedoken en de naam Lovecraft draagt. Vandaar dat het mij zinvol lijkt, voordat ik een tip van de sluier oplicht over de taak die ons wacht, u een hard en onloochenbaar bewijs te verschaffen met betrekking tot de plaats waar ik mij bevind, meer bepaald dus de Brug van Einstein-Rosen.
Al van kindsbeen af koestert u een gruwelijke – en voor iedereen onverklaarbare – aversie voor alles wat met de kermis te maken heeft. Onverklaarbaar voor iedereen, mijn jonge vriend – behalve voor u dan, en voor mij. Zelf slaagt u er doorgaans in het trauma uit uw kindertijd min of meer uit uw parate geheugen te verdringen. En breekt het onverhoopt toch door de dikke vestingmuren die u hebt opgetrokken rond wat u beschouwt als uw gezond verstand, dan schrijft u het alsnog af als een product van uw verbeelding, een kinderlijke fantasie en niets meer.
Nu we al zo ver zijn dat ik uw diepste, meest intieme angst heb blootgelegd, is het misschien wel gepast dat ik u ook tutoyeer? Ik weet namelijk heel goed, mijn jonge vriend, hoe je als jonge vader en gedwongen door de omstandigheden ook een tijdje in het hart van Aalst hebt gewoond. Jullie huis op de Boekboutberg werd verbouwd, en jij en je vrouw logeerden samen met jullie dochtertje van drie boven een winkel in de Kattestraat. Ik weet heel goed hoe verschrikkelijk het voor je was, toen het Carnaval eraan kwam. Niet zozeer vanwege het Carnaval zelf, en zijn oeroude rituelen, maar vanwege de foor en zijn foorkramers.
Je zou ‘m eerst horen: de nieuwste hits die uit de luidsprekers schalden, het onophoudelijke loeien van de sirenes, het enerverende elektronische biepen. Ging je het huis uit, dan zou je ‘m ook dadelijk weer ruiken: de geur van olie en vet, van hamburgers en hot-dogs – en je zou niets liever willen dan de penetrante stank van je af spoelen met véél, met stromend water. Pas een paar straten verder zou je de kermis ook echt zien.
Tot het uiterste gespannen hield je de stadsambtenaren in de gaten, die met een krijtje nummers tekenden op de kasseien. En toen de eerste foorwagens aankwamen en alle beschikbare ruimte inpalmden, bespiedde je ze met een wild kloppend hart, dichtgesnoerde keel, tang rond je maag. Mannen in psychedelisch gekleurde jassen schilderden pal in het midden van de Grote Markt de rails van een roetsjbaan helblauw. Wantrouwig bekeek je de chaos van houten blokken, ijzeren staven, panelen met geschilderde decors. Rusteloos dwaalde je langs hamburgerkraampjes en loterijtenten, langs een Zwevende Inktvis en een Spookpaleis, op zoek naar die ene, antieke, anachronistische Carrousel uit de Hel.  Doodsbang dat je vrouw je zou vragen voor de duur van een enkel ritje van de suikerzoete koekjesdozenromantiek te proeven en jouw Prinses te mogen worden, en jij haar Prins op het Witte Paard. Of erger nog, dat zij je dochtertje zou meenemen voor een ritje op de Eenhoorn, en dat het wichtje nog een ritje meer zou afsmeken, en nog eentje, en nog… Tot ze iets zou gillen dat, als een duivel uit een muziekdoosje, de foorkramer tevoorschijn zou toveren.
De tuigen glommen als spiegels. Je kon jezelf zien in het blinkende metaal: je fronsende voorhoofd, de parelende zweetdruppels, je schichtige ogen.
Bij een Heksendans bleef je treuzelen. Aan twee zijden van wat eigenlijk een draaimolen was verrezen huisjes van peperkoek, waarin later waarschijnlijk de kassa’s gehuisvest zouden worden. Fel geverfde heksen op bezemstelen vlogen rond grote ketel van bordkarton, boven een brandstapel van gloeilampen.
Je probeerde een praatje aan te knopen met de foorkramer van de Heksendans. Nu ja, praatje... in koetjes en kalfjes ben je nooit goed geweest.
‘Is de Carrousel uit de Hel er niet bij?’ informeerde je.
‘Pardon?’
‘Op elke grote kermis kom je ‘m tegen: de Sinksenfoor van Antwerpen, de Foire du Trône van Parijs, de Oktoberfeste van München… Een krakend, rook uitbrakend, roestig onding met zo van die mythische wezens op…’
De kerel schudde nors het hoofd. Geen Carrousel uit de Hel gezien, beweerde hij. Trouwens ook niet op de Sinksenfoor of de andere kermissen die je daar noemde. En hij deed ze toch allemaal.
Je vertrouwde de vent maar half, en je was dus ook maar half gerustgesteld. Maar anderzijds, het kon best wel kloppen, natuurlijk. Dat van de Sinksenfoor en de Foire du Trône en de Oktoberfeste had je verzonnen: die illustere namen had je gevonden op de affiche aan de achterkant van de kassa van de Heksendans. De Carrousel uit de Hel deed zelfs geen gewone dorpskermissen aan, laat staan een toch wel vrij grote foor als die van het Aalsterse Carnaval. Hij moest zijn prooien elders zien te vinden. Hier kon hij alleen maar problemen krijgen.
Dat was de rede die sprak. Maar ik moet je niet vertellen dat de rede het wel eens meer moet afleggen tegen het gevoel, nietwaar? Hoewel de kust perfect veilig leek, bleef je je zorgen maken. Het was sterker dan jezelf. Je had het al sinds die dag in 1973, toen het kermis was in de hel…

‘Het is kermis in de hel.’
Je grootvader liet nooit na die oude uitdrukking te gebruiken, wanneer de zon scheen… en het tegelijk regende.
Jij was elf jaar oud in 1973, toen je terugkeerde van een urenlange zwerftocht door de velden en weiden en bossen achter Duivelsput en Galgenberg, die voor het gemak werden aangeduid als Ten Bosch. Je bracht nog alle weekends en alle vakanties door bij je grootouders in dat oude huis op de heuvel, die met enige zin voor overdrijving de Boekhoutberg werd genoemd, op de grens tussen Affligem en Erembodegem, Brabant en Oost-Vlaanderen. De smartphone was nog niet uitgevonden, er bestond nog geen PC of internet, muziek werd nog in vinyl geperst en jij ging ’s ochtends bij de boer aan de voet van de Boekboutberg nog om een kan melk, recht van de koe. En jij keerde terug van een van je zwerftochten, langs Duivelsput en Galgenberg en het geheimzinnige Domein Verbrugghen. In een schuur had je geschuild voor het zomeronweer en nu, terwijl het nog wat nadruppelde, was het kermis in de hel.
Al sinds 1937 stelden de paters van Affligem alles in het werk om de diabolische vloeden van de Duivelsput te neutraliseren. Ze sprenkelden kwistig wijwater in het rond en voerden zelfs een heus exorcisme uit in het Domein Verbrugghen, dat ze ten slotte perfect veilig verklaarden – zo veilig zelfs dat ze er niet voor terugschrokken als een teken van hun suprematie op deze sinds onheuglijke tijden verdoemde site een jeugdcentrum te bouwen. En om nog te benadrukken dat de verlichte mens van de twintigste eeuw hoegenaamd niets meer te vrezen had van de demonen van de Duivelsput, legden ze er een zeer werelds – zelfs  frivool, bijna blasfemisch – atletiekterrein aan, met een looppiste waar beroemde sportlui kwamen trainen, zoals Roger Moens, de zilveren held van de 800 meter in Rome. Maar de bewoners van de Duivelsput sloegen terug, en telkens wanneer het kermis in de hel was, verscheen precies daar hun zwarte Carrousel.
Eerste hoorde je hem – de woest stampende muziek van zijn mechanische Gavioli orgel. Daarna rook je hem ook; een stoomcarrousel die zijn beste tijd al decennia achter de rug had, en fluimen uit de hel leek op te hoesten. En ten slotte zag je hem op het grasveld staan schitteren in het infernale zonlicht, omarmd door de looppiste van het atletiekterrein.
En je wilde ‘m niet zien – maar je moest hem wel zien. Onweerstaanbaar werd je naar ‘m toe getrokken, alsof deze toch al zo vreemde draaimolen ook ingebouwde magneten bezat, die reageerden op mensenvlees. Hier waren ook geen leuke paardjes, vrolijke brandweerwagens of vriendelijke politiecombi’s te bespeuren, maar figuren die je eerder verwachtte te zien opdagen in je nachtmerries: een gifgroene poliep met grijpgrage tentakels, een paarse koboldachtige dwerg met een vuurrode tong, iets dat leek op een monsterachtige kruising van een mens en een gigantische hond, een fosforescerende UFO die eigenlijk een schommel was in de vorm van een schijf en met kettingen aan een stang bevestigd was, zodat je ging vliegen als de carrousel zijn rondjes begon te draaien.
Het meisje zat in de UFO. Ze was zeventien – maar dat kon jij niet weten. Je zag alleen dat ze al borsten had. En dat het niet klopte.
Het plotselinge opduiken van deze ouderwetse draaimolen, precies op het moment dat jij hier voorbij kwam, precies op deze plek – in het midden van het grasveld, omarmd door de atletiekpiste. Het astmatische puffen en hijgen van de stoommachine, de vieze grijze dampen die de lucht verpestten. En dat het meisje zo helemaal alleen in het midden van deze gedrochten zat, die zo leken weggelopen uit een schilderij van Jeroen Bosch.
Maar die kende jij natuurlijk niet. Nog niet.
Op een houten bord was de naam van het onding geschilderd: J.P. Graetmaeghers Carrousel uit de Hel. De draaimolen beschreef heel traag nog een laatste rondje en toen viel ook het Gavioli orgel langzaam stil. En in die oorverdovende stilte hoorde je het meisje zeer meisjesachtige kreetjes slaken.
‘O! Is het al voorbij? Kunnen we nog één ritje maken? Asjeblief? Eén ritje maar!’
En toen verscheen daar als een duiveltje uit een doosje het personage dat ongetwijfeld J.P. Graetmaegher moest zijn. Zo zag hij er in ieder geval uit: langgerekt en lichtjes gebogen, met een onmogelijk lange en dunne hals, als een aasgier in een anachronistische jas van zwart fluweel gestoken. En ook aan J.P. Graetmaegher klopte helemaal niets: de koolzwarte ogen in de wasbleke doodskop niet, het gezicht dat aan een masker deed denken, doorkerfd met rimpels als donkere groeven. En hoe hij geen spier vertrok, zelfs niet met de ogen knipperde terwijl hij op welhaast mechanische wijze, als een door stoom aangedreven automaat, op het meisje toe liep.
J.P. Graetmaegher maakte hoekig een bekend gebaar met duim en wijsvinger. ‘En hoe wil de juffrouw dat betalen?’
De juffrouw giechelde. ‘Ik vind altijd wel een vriendelijke heer bereid om mij te trakteren op een ritje, in ruil voor een kleine wederdienst.’
J.P. Graetmaegher keek demonstratief om zich heen, en toen viel zijn blik op jou. Er werd van twee kanten aan jou getrokken – aan je rechterhand door je gezond verstand dat je hier zo snel mogelijk weg wilde, aan je linkerhand door je zeer vleselijke fascinatie voor dit meisje, en de Geheimen van het Verbodene die zij vertegenwoordigde – en bijgevolg was je blijven staan.
‘Ik zie hier niemand behalve die knaap daar.’
De benige vinger van de foorkramer die jouw richting uit priemde. En dat je luidkeels wilde protesteren omdat hij jou ‘knaap’ had genoemd in haar bijzijn. Maar hoe zij je spottend opnam en het toen uitproestte.
‘O wat een lieve jongen! En… heb jij al zin in een ritje, maatje? Met mij?’
En of je zin had in een ritje! Onwillekeurig, beetje wankel, deed je nog een stap in haar richting.
‘Betaal jij dan voor ons twee?’
Manhaftig overwon je de angst en weerzin voor de wezens van de Carrousel, en je tastte in je broekzak naar het kleingeld dat je daar had, om snoep mee te kopen in het snoepwinkeltje aan de voet van de Boekhoutberg. Maar voor je kon vragen of vijf frank voldoende was, dook daar alweer uit het niets een alweer volstrekt anachronistisch heerschap op. Deze keer was het een lange slanke meneer van een jaar of veertig, met een ovaalvormig gezicht en een geprononceerde kin, gekleed in een lange en veel te warme gabardine, en met een deukhoed op het hoofd. Pas later zou je hem menen te herkennen op een foto waaronder de naam ‘H.P. Lovecraft’ gedrukt stond.
‘Met dit kind kunnen jullie toch niks aanvangen!’ riep de heer uit, met een accent dat je toen nog niet kon identificeren. ‘En bovendien, deze jongen is van mij!’
En de meneer greep je bij de arm en hield je tegen… en redde met dat gebaar je leven.
Het meisje van haar kant haalde de schouders op. ‘Dan zul je me… gewoon moeten laten rijden! Nietwaar?’
Ze giechelde weer, hoog en schel, en toen J.P. Graetmaegher niet reageerde, boog ze zich naar hem over, nam zijn hand tussen haar beide handen en legde die tussen haar borsten.
‘Toe? Asjeblief? Eén ritje maar? Het allerlaatste! En daarna mag je alles hebben wat ik heb!’
De gespleten tong van de J.P. Graetmaegher glipte uit zijn mond, en over zijn natte lippen. ‘Alles?’
‘Alles!’
Hij kneep in haar borst, ik kon het duidelijk zien. ‘Voor een laatste ritje?’
‘Voor een allerlaatste ritje!’
‘Maar… Stel… Mocht ik de Duivel zijn…?’
‘Dan sleep je me daarna maar mee naar je Hol in de Hel!’ riep het meisje uit, blozend van opwinding, uitbundig en dwaas.
J.P. Graetmaegher knikte, een stoomfluit gilde, de ketel pufte en toen leek het Gavioli orgel zichzelf slepend in gang te trekken, terwijl ook de carrousel traag en krakend weer in beweging kwam en de Eenhoorn en de Draak, de Kwelgeest en de Gehangene hun eeuwige cirkelgang hernamen.
Langzaam maar zeker steeds sneller ging het, tot de draaimolen op kruissnelheid was gekomen. En toen ging ie nog een tikje sneller. En nog wat. En nog.
Het orgel dreunde, het mechanisme knarste en knerste, de planken kraakten en het meisje gilde, schril en snerpend – het geluid drong door merg en been. De heer die je had belet samen met haar een ritje te maken hield je hand in een klem, je had de ogen stijf dicht geknepen want je wilde niet zien wat nu, onherroepelijk, te gebeuren stond – en als je het had gekund, zou je ook de oren dichtgeknepen hebben:  de combinatie van het orgel dat op een al te hoog toerental draaide en het panische huilen van het meisje was ondraaglijk.
Maar opnieuw was het sterker dan jezelf, en zoals ook een ramptoerist gehoor verleent aan een drang waaraan hij niet kan weerstaan,  gluurde je op een zeker moment door je tot spleten getrokken ogen naar buiten… En zag je het meisje als een kleurrijke veeg in haar ongeïdentificeerd vliegend object draaien en tollen… tot de kettingen braken en de UFO werd gelanceerd en richting Duivelsput gekatapulteerd.
Bevend op mijn benen had je de ogen weer stijf dicht geknepen.
De vriendelijke heer liet je hand los en prevelde een gebed, dat je pas vele jaren later zou kunnen reconstrueren:

 

In Necropo Lies a Belle Fonteyne

And We All Go Merry Go Round

In Necropol Isabelle Fonteyne

And We All Go Merry Go Haunt!

 

Hij slaakte een zucht, liet de stilte even duren en vervolgde: ‘Het is nog eens voorbij, mijn jonge vriend. Ergens in de buurt werd een oud meisje alweer herboren in een nieuw lichaam, en zo herhaalt haar geschiedenis zich telkens weer, tot het einde der tijden… of tot iemand haar plaats inneemt in de Carrousel uit de Hel van Joost P. Graetmaegher. En waar de P voor staat? Joost mag het weten… Ik denk voor Pieter of Piet, zoals in Pietje de Dood.’
En hij drukte iets in je hand – iets dat hard en plat was en met papier omwikkeld. Voorzichtig opende je de ogen, en waarom verwonderde het je niet dat daar voor jou alleen grasveld te zien was, en niets meer? Van de Carrousel uit de Hel viel geen spoor meer te bekennen, de vieze stank was weggewaaid en alle damp opgelost en het was zelfs geen kermis meer in de hel.
‘Hier, mijn jonge vriend. Neem dit van me aan. Beschouw het als een amulet, een talisman. Hou het goed bij. Ongetwijfeld komt het je ooit nog van pas.’
De wikkel bleek een stuk krantenpapier te zijn van de Gazet van Assche, jaargang 1905,  waarop je nog onder meer dit fragment kon lezen:
  
… brak de ketting, die haar met hare luchtballon aan de Merry-Go-Round vasthechtte, en is zij ten gronde neergestort, waarbij het nekbeen werd verbrijzeld. Aangezien dit schrikkelijk ongeluk in de nabijheid ener hospitaal plaatsvond, werd de verongelukte nog naar dit gesticht overgebracht, waar evenwel alleenlijk de dood kon worden vastgesteld. Haar jammerlijk verbrijzeld lichaam werd overgebracht naar het openbaar lijkhuis van Assche, en aangezien zich geen familieleden of vrienden van de verongelukte aandienden, en ook haar naam niet is gekend, zal zij door het Burgerlijke Godshuis ter aarde worden besteld.
(FL) 

 
De talisman bleek een rechthoekig en plat wit schijfje te zijn, bestaande uit metaal en plastic, met een donker venstertje. Het was bevestigd aan een wit koordje, zodat je het om de hals kon hangen. Er waren vier geheimzinnige tekens aangebracht in het plastic van wat wellicht de platte bovenkant van de talisman was: een V, een M, een dubbele pijl naar boven, een dubbele pijl naar beneden, en een pijltje dat naar rechts wees, en met de punt vastzat in twee verticale streepjes.
Op de metalige achterkant stond onder meer te lezen dat dit een digital audio player was, met voice recorder, made in China. Naast nog meer onbegrijpelijke tekens zat er een stickertje op met in een blauwgroen ovaal de melding 1GB, en voor de rest was er ook nog deze tekst, die daaronder in het Frans werd vertaald:

Zet de speler aan door de on/off knop naar boven te schuiven en vervolgens de play knop (>II) 2 seconden ingedrukt te houden.

Je hebt de on/off knop onderaan het schijfje (waar ook nog een rond en een rechthoekig gaatje zaten) naar boven geschoven en vervolgens de play knop een eeuwigheid ingedrukt gehouden, maar er gebeurde niets.
Nu ik het vertel, herinner je het je ongetwijfeld weer. Waarschijnlijk vind je de digital audio player nu wel terug, in de oude zeemanskist waarin je wat souvenirs van je kinderjaren hebt bewaard. Zoek de ‘talisman’ ergens helemaal onderaan, want eigenlijk wilde je niet echt meer herinnerd worden aan het tafereel dat erbij hoorde – maar je durfde ‘m ook niet van de hand doen, nietwaar?
Ongetwijfeld krijg je de digital audio player in dit digitale tijdperk nu wel aan de praat.  Je zult merken dat ik toen, in 1973, op een moment dat geluid nog uitsluitend met een bandopnemer werd gecapteerd, de recorder functie heb gebruikt.
 

16.11.12

Legende van Lovecraft 01: Vanop de Brug van Einstein-Rosen



@Patrick Bernauw



Mijnheer,

Vergeeft u mij de enigszins onorthodoxe wijze waarop ik mij tot u richt, maar waar ik mij bevind, staan mij helaas geen andere communicatiemiddelen ter beschikking. En de tijd dringt, mijnheer.
Ik weet dat u het werk van Zecharia Sitchin kent, die zowel in oeroude Sumerische teksten als in de Bijbel verwijzingen heeft gevonden naar Niburu, een planeet die op zekere tijdstippen ons zonnestelsel binnendringt. De passage van Niburu zorgt telkens weer voor aardbevingen en vloedgolven, inslagen van meteorieten, uitbarstingen van vulkanen en ernstige storingen van het aardmagnetisch veld.
De Sumeriërs hadden al hun kennis te danken aan Niburu, mijnheer. En meer bepaald aan de Anunnaki, het volk dat deze planeet bewoont. Zij zouden de terugkeer van Niburu voorspeld hebben voor 2003, en toen er dat jaar niets gebeurde voor 2012 – het tijdstip waarop ook een einde komt aan de Vijfde Grote Cyclus van de Mayakalender. Maar een onheil van welhaast kosmische proporties moeten wij in dit tijdsgewricht niet verwachten van een nieuwe passage van Niburu, die nog lang niet door astronomen werd opgemerkt. Staat u mij echter toe nog even in de sfeer van Niburu te vertoeven, mijnheer.
Auteurs als Amitakh Stanford geloven dat de bewoners van Niburu de mens gecreëerd hebben als slaaf, uit een vrouwelijke Anunnaki en een mannelijke aap.  Uit de Bijbel kennen we al het verhaal van Adam en Eva, die eten van de boom van kennis, hun status van domme slaaf ontstijgen en om die reden verdreven moeten worden uit het Paradijs. Het zijn de reptielen van het ras der Chitauli die de mens nu in bedwang houden, onder meer door middel van ‘mind control’ technieken.
Eerder opperde ook Erich von Däniken ook al dat intelligente buitenaardse wezens de aarde in het verleden meermaals bezochten, en de evolutie van de mens hebben gemanipuleerd. Hij toonde dit aan met archeologische artefacten en op basis van zijn studie van Stonehenge of de Egyptische piramiden, die een verregaande kennis van wiskunde, fysica, geologie en kosmografie veronderstellen. In de mythes van alle werelddelen vinden we overigens talloze vermeldingen van ‘wagens van vuur’ die door de hemel reizen. Het visioen van Ezechiël in het Oude Testament werd op die manier door Von Däniken geïnterpreteerd als de landing en het vertrek van een ruimtevaartuig.
Belangrijk in dit verband zijn ook de Nephilim, die zich manifesteren in de Thora en vroege christelijke geschriften zoals het Eerste Boek van Henoch. Het gaat hier om zogenaamde ‘Gevallenen’, een volk van reuzen, ontstaan door de kruising van ‘de Zonen van God’ met menselijke vrouwen. Zo lezen we in Genesis 6:4: ‘De reuzen (Nephilim) waren op de aarde in die dagen, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen en zij hun kinderen baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.’ Over deze gevallen engelen wordt elders in de Bijbel gezegd dat ze ‘hun oorsprong ontrouw geworden zijn’. Een belangrijke reden voor de zondvloed, was trouwens ‘de geweldenarij en godslastering’ van de Nephilim. Heel wat vorsers beschouwen de halfgoden, giganten, reuzen en titanen uit de grote wereldmythologieën, de sagen en de legenden als Nephilim – of een hybride van mensen en buitenaardse wezens.
De antropoloog Marcel Griaule stelt dat de oraal overgeleverde verhalen van het Westafrikaanse volk der Dogon gebaseerd zijn op een buitenaards contact. De Dogon vertelden hem dat ze ooit werden bezocht door goden afkomstig van Sirius, een ster die zich ongeveer op 8 lichtjaren van de aarde bevindt. Ze bezaten heel wat informatie over dit hemellichaam, die met het blote oog niet te verkrijgen was.
Merkwaardig is nu, mijnheer, dat dergelijke ideeën reeds lange tijd gemeengoed zijn onder de schrijvers van fantastische literatuur, die allerminst onbekenden zijn voor u. Zowat het hele oeuvre van de Amerikaan Howard Phillips Lovecraft is gebouwd op de Cthulhu Mythos, waarin zwarte magie gruwelijke ‘close encounters’ met buitenaardse reptielachtigen mogelijk maakt, die zich althans gedeeltelijk in een parallel universum lijken te bevinden. Een vierde dimensie, waarin de wetten van de ons min of meer bekende tijd en ruimte niet langer van kracht zijn, is ook een hoeksteen van het oeuvre van de Belgische schrijver Jean Ray, die ook actief was als John Flanders. Zo zet hij in zijn meesterwerk Malpertuis met behulp van occulte krachten de Griekse goden gevangen in het lichaam van een stelletje kleinburgerlijke Gentenaren.
Ik kan u verzekeren, mijnheer, dat er op deze aarde extreem energetische plaatsen zijn, waar men toegangspoorten kan creëren, of openen, naar andere dimensies. Door deze scheuren in het ruimte-tijd continuüm kunnen boven- en buitenaardse entiteiten het universum waarin wij leven niet alleen binnendringen, maar er ook weer uit verdwijnen. Een dergelijk poort naar andere dimensies, gevormd door wat in feite een kromming in het ruimte-tijd continuüm is, kennen we sinds 1935 als een ‘Einstein-Rosen Brug’, een ‘wormgat’ of een ‘Sterrenpoort’.  Het is niets anders dan een tunnel tussen verschillende gebieden in het heelal, mijnheer, waardoor buiten tijd en ruimte zowel materie als informatie kunnen worden doorgegeven of getransporteerd. Het fenomeen werd reeds in 1921 theoretisch ontdekt door de Duitse wiskundige Hermann Weyl, in het kader van zijn onderzoek naar de eigenschappen van het  elektromagnetisch veld. Aan deze poorten worden allerlei fantastische eigenschappen toegekend; ze zouden ook het tijdreizen mogelijk maken.
Uit eigen ervaring, mijnheer, kan ik u zeggen dat het bestaan en het functioneren van deze poorten allerminst tot het rijk der verbeelding behoren. Zelf bevind ik mij namelijk op een dergelijke Einstein-Rosen Brug, die het mij onmogelijk maakt op een andere manier met u te communiceren dan, bijvoorbeeld, door een Facebook-account of het produceren van een Electronic Voice Phenomenon, afgekort tot ‘EVP’.
Ik zit als het ware gevangen in een plooi, mijnheer, die zich zowel uitstrekt in de tijd als in de ruimte. Ik sta op een brug, met aan de ene kant uw Duivelsput op de grens van Brabant en Vlaanderen, en aan de andere kant Providence, Rhode Island. Maar even goed bevind ik mij op een tijdsgewricht met het jaar 1937 als draaischijf – het jaar, inderdaad, waarin Howard Phillips Lovecraft overleed in Providenc en Filips Lovecraft werd geboren in Assche – en dit terwijl Howard Phillips ook al voor 1937 actief was geweest in Assche, en Filips Lovecraft nu nog actief is in Providence, Rhode Island.
Nog merkwaardiger wordt het nu, als we vaststellen dat de Sterrenpoorten bestuurd lijken te worden vanaf Sirius, de schitterende ster van de Dogon, het kosmische knooppunt vanwaar alle andere sterren in de kosmos bereikbaar lijken. En omdat niet alleen in de alchemie het kleine het grote weerspiegeltje, het hoge het lage en het heelal vertegenwoordigd wordt in een zandkorrel, heeft de Russische biofysicus en moleculair bioloog Garjajev ook ontdekt dat zich in ons DNA patronen bevinden waardoor wormgaten geproduceerd worden. Alsof ons DNA opereert als een Sterrenpoort tussen de eigen en andere dimensies, mijnheer. Het mag u dan ook niet verwonderen dat wij, omgekeerd, in de kern van ons DNA een deel der kosmische coderingen hebben opgenomen, die vrijkomen uit een Sterrenpoort. Wellicht zijn sommigen onder ons daarbij ontvankelijker geweest dan anderen, mijnheer, en is het dit wat mijn persoon – onlosmakelijk verbonden met mijn alter ego Howard Phillips Lovecraft – bijzonder, zij het niet helemaal uniek maakt.
Veel van het bovenstaande zal u, schrijver van fantastische verhalen die vlakbij de Einstein-Rosen Brug van de Duivelsput woont, niet geheel onbekend in de oren klinken. Ook daarom is het dat ik mij met deze eerste van een lange reeks missives tot u richt, mijnheer. U hebt van de Voorzienigheid immers een opdracht meegekregen, bij uw geboorte. En u kent ongetwijfeld ook de woorden die in de grafsteen van Howard Phillips Lovecraft staan gebeiteld,  op Swan Point Cemetery: ‘I am Providence.’
Tot weldra, mijnheer!

Ondertussen, verblijvend op de Brug van Einstein-Rosen,
groet ik u vriendelijk,

Filip Lovecraft