Pagina's

20.12.12

Catrin Welz-Stein droomt van Nautilus Cthulhu, Yog-Sothoth, Robot Radulfus en de Mandragora


De artieste Catrin Welz-Stein heeft ongetwijfeld inspiratie gezocht en gevonden tussen Galgenberg en Duivelsput. Hierboven zien we haar interpretatie van de Nautilus Cthulhu, die daar werd aangetroffen. Hieronder: haar visioen van Yog-Sothoth.




 


En zouden dit voor de rest Joost P. Graetmaegher of de Robot Radulfus kunnen zijn? En Belle Fonteyne, de Alruine van het Kasteel van Boechout?

17.12.12

Lovecraft 05: De vakantie van Lisa Lomé


 

Beste vriend Bernauw,

Hierbij stuur ik je de transcriptie van mijn hoorspel, uitgezonden op de Aalsterse vrije radio Katanga, in 1989. Zoals je je misschien alweer – vaag – herinnert, werd De Vakantie van Lisa Lomé destijds opgenomen in je reeks getiteld Huiveringwekkende Vertellingen, geproduceerd door het Onafhankelijk Radiofonisch Gezelschap ORAGE.

Vriendelijke groeten van je

Filip Lovecraft

 

De jonge vrouw was bijna niet te onderscheiden in die muur van mist, waarin ze geheel onverwacht opdook. Gedurende een fractie van een seconde werden haar zwarte haren en een paar dito ogen gevangen in het licht van mijn koplampen; ze stak bezwerend haar handen op, als om het onheil af te weren.

In een reflex gooide ik het stuur van mijn wagen om. Ik was er mij vaag van bewust dat ze op de pechstrook stond, en dat ik in de dichte mist van de rijweg moest zijn afgeweken. Een eindje verder kwam ik tot stilstand.

Ze kwam naar me toe gelopen. In een lange jurk met Indische motieven en verder niets. Enfin, verder niets dat ik kon zien. Een soort hippiemeisje, zoals je er tegenwoordig nog erg weinig ontmoet.

Ik draaide m’n raampje open. ‘Alles in orde?’ informeerde ik kortaf.

‘Ja,’ zei ze. ‘En met u? Met uw wagen?’

Ze sprak de woorden uit op een vreemd vlakke, toonloze manier – onder hypnose leek het wel, of alsof ze zo was geprogrammeerd, in een trance verkeerde, slaapwandelde. 

‘Wie gaat er nu in ‘s hemelsnaam moederziel alleen en in het holst van de nacht liften op de pechstrook van de snelweg? In zo’n mist dan nog!?’

Ze droeg niet eens een warme jas. Alleen die malle ouwerwetse jurk.

‘Nu goed. Waar wil je naartoe?’

‘Asse.’

‘Oké,’ zei ik. ‘Stap dan maar in.’

En dat deed ze – in een wolk van mist en… patchouli?

 

Toen de stilte ongemakkelijk begon aan te voelen, zette ik de autoradio aan. Tussen een hoop gefluit, gepiep en gekraak door was nog net de zomerhit van het jaar te horen: Clouseau met Anne.

‘Hou je van Clouseau?’ vroeg ik – een onhandige poging om een gesprek op gang te brengen, meer was het niet.

‘Nee,’ zei ze.

Door de storingen kon je toch bijna niets horen van het liedje, dus zette ik de radio maar weer uit.

‘Nee,’ herhaalde ze, en op die merkwaardig mechanische wijze van haar voegde ze eraan toe: ‘Nooit van gehoord. Ik heb het meer voor de Beatles. Jammer dat ze gesplit zijn, vind je niet?’

Ze had wat moeite met de uitspraak, hoorde ik. En ze liet het klinken alsof de Beatles gisteren waren gesplit, in plaats van bijna twintig jaar voordien.

‘Ik ben Lisa,’ ging ze toen plompverloren verder. ‘Lisa Lomé. Hallo.’

‘En wat voerde je daar eigenlijk uit op de pechstrook van de snelweg, Lisa?’

‘Ik logeerde bij een vriend,’ zei ze. ‘En nu wilde ik terug naar huis. Maar toen werd ik verrast door de mist.’

Zonder een mantel, zonder enige bagage gaan liften op de pechstrook van de snelweg, in de dichte miste? Ik geloofde er geen snars van, maar toen begon ze te klappertanden. Ze zag ook lijkbleek, merkte ik nu. En ze rilde.

Een bad trip, natuurlijk. Ja, dat verklaarde veel. Haar merkwaardige manier van praten, de hippiejurk, dat gedoe met de Beatles. Deze meid was blijven hangen in the sixties en had zich bij dat vriendje van haar te goed gedaan aan het soort spul waarvan je volledig van de wereld raakte.

Ik draaide de verwarming wat hoger en wees naar de warme trui op de achterbank, die ik nog haastig had meegegrist voor ik ging klussen. Het was een dikke wollen werktrui en hij zat vol olievegen, vetvlekken en verfspatten.

‘Trek maar aan.’

Ze ging gretig op m’n aanbod in.

 

Ik had haar opgepikt net voorbij de verkeerswisselaar van Groot-Bijgaarden, op de E40 richting kust. De afrit Ternat volgde dan vrij snel – ik dacht daarna, op de oude steenweg, even de voor mij verkeerde richting uit te gaan en naar Asse te rijden, in plaats van richting Erembodegem, waar ik woonde. Het was slechts een kleine omweg. Maar toen ik de snelweg bereikte, legde ze haar hand op de mijne.

‘Alstublieft,’ zei ze weer op die volmaakt vlakke, toonloze manier van haar. ‘Ik heb me bedacht.’

Haar hand was ijskoud.

‘Ik keer toch maar liever niet weer naar Asse. Neemt u me mee naar huis? Alstublieft?’

 Ik schraapte de keel. ‘Liever niet, Lisa. Ik ben getrouwd enne…’

‘Nee,’ zei ze. ‘Nee, dat bedoelde ik niet. Ik bedoelde: neemt u me mee naar het huis van mijn vriend?’

‘O. Juist. En waar woont die vriend?’

‘Aan de Romeinse Weg. In Affligem.’

‘Vlakbij de Duivelsput?’

‘Ja. Is dat een probleem?’

‘Nee. Ik woon daar ook in de buurt, da’s al. In Erembodegem. Net aan de overkant… van de grens tussen Brabant en Oost-Vlaanderen, bedoel ik.’

Waarom begon ik nu ineens zo te brabbelen?

‘Die wordt trouwens aangegeven door een heuse steen, wist je dat? Een mijlsteen. Napoleon heeft die daar nog gezet. En ik woon dus net over de grens, in Oost-Vlaanderen.’

Ze knikte. En we reden door.

 

Ik wist dat er daar een vrij grote villa lag, in het bos, net achter de Duivelsput, aan de Romeinse Weg. In ‘zonevreemd’ gebied, had ik altijd gedacht. Het zou daar wel zijn dat haar vriend woonde, dacht ik toen ik stopte op de hoek van de Molenberg en de Romeinse Weg. Dit was de oude heirbaan, op deze plek niet meer dan een grindpad die naar die ene villa leidde, vervolgens –  bij de Duivelsput – versmalde tot een bospad, en voorbij de Duivelsput verbreedde tot een karrenspoor.

In deze mist was het te gevaarlijk om met de auto het pad te volgen, maar ik wilde haar ook niet opnieuw moederziel alleen de nacht in sturen.

‘Zal ik met je meegaan?’ vroeg ik dus.

Ze legde een ijskoude vinger op mijn lippen. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nu niets meer zeggen, niets meer vragen. Ik heb mijn vriend beloofd terug te komen. Altijd. Wat er ook gebeuren mocht.’

Ze stapte uit en was het volgende moment al opgelost in de mist. Ik bleef beduusd zitten, ten prooi aan de meest tegenstrijdige gevoelens. Bijna automatisch zette ik de radio maar weer aan. Meteen was er de zwoele stem van de late radio-omroepster, die zei dat er op de snelweg krak richting krakkrak een spookrijder werd gesignaleerd krààààkkk.

 

Net de mysterieuze manier waarop Lisa Lomé weer was verdwenen in de mist waaruit ze luttele minuten voordien opeens was verschenen, maakte dat haar spookbeeld mij begon… te beheksen? Ik moest haar terugzien… en ik had ook een goeie reden om haar op te zoeken, al was het dan in de villa van haar vriend, daar bij de Duivelsput, in zonevreemd gebied. Ze had m’n vieze vuile wollen werktrui nog aan.

En zodoende trok ik mijn stoute laarzen aan, en ging ik de volgende dag wandelen langs het wegeltje dat ook bekend stond als de Galgenberg, en dat regelrecht naar het Domein Verbrugghen leidde, en de Duivelsput, en de villa van Lisa’s vriend.

Voordat ik mij kon bedenken, met een hart dat wild roffelend tot in mijn keel te keer ging, belde ik aan. Na een paar tellen hoorde ik sloffende voetstappen achter de deur, die uiteindelijk op een voorzichtige kier werd geopend.

Een niet onknappe dame van middelbare leeftijd keek me aan, met gefronste wenkbrauwen, een vaag glimlachje om de lippen. Ojee, dacht ik – als dit de echtgenote was van Lisa’s vriend, had ik dringend een plausibel klinkende smoes nodig. Tenzij het de moeder van de vriend was, wat eveneens tot de mogelijkheden leek te behoren.

‘Excuseer, mevrouw,’ zei ik, ‘maar kent u een zekere Lisa Lomé?’

Het vage glimlachje verbreedde zich. ‘Niet persoonlijk, nee,’ zei de dame. ‘Maar ik heb al veel over haar gehoord.’

‘Hoezo?’

‘Mannen van zo ongeveer uw leeftijd komen hier wel vaker naar haar vragen. Eerlijk gezegd, denk ik dat er meisje aan het werk is met een nogal apart gevoel voor humor. En dat u haar nieuwste slachtoffer bent.’

‘Ik begrijp niet wat…’

‘Draagt ze soms een sjaal van u, of heeft ze iets meegenomen uit uw wagen? Hebt u haar een cassette of een boek geleend?’

‘Ik heb haar mijn trui gegeven…’

‘Ach zo. Wel, wandelt u dan vooral verder, naar de Duivelsput. Als u goed zoekt, zult u hem daar zeker vinden.’

 

 
 
En inderdaad vond ik, keurig gedrapeerd over een boomstronk, de wollen werktrui met de vieze vegen die Lisa enkele uren eerder had aangetrokken. Er was een foto op geprikt, van het soort dat je wel eens op grafstenen ziet staan: Lisa Lomé, 1953-1971 – Smartelijk uit ons leven weggerukt, op de pechstrook van de snelweg.
 
 
 
 
 

6.12.12

Legende van Lovecraft 04: Het Kasteel van Boechout



 
Waarde vriend,

Graag herinner ik je met deze indertijd door mij gemaakte transcriptie, aan de radiodocumentaire die je produceerde met het Onafhankelijk Radiofonisch Gezelschap ORAGE in de reeks Fantastisch Vlaanderen, uitgezonden op de Aalsterse vrije radio Katanga, in 1989. 

Hartelijk,
Filip Lovecraft
 

We lopen hier nu door een zogenaamde ‘zavelput’, in feite één van de vele zandsteengroeven op de grens van het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant, die in het midden van de 18de eeuw uitgeput raakten. Eeuwenlang hadden zij een mooie witte steen opgeleverd, waarmee heel wat gewijde bouwwerken werden gebouwd, zoals de Sint-Michielskathedraal van Brussel, de Sint-Janskathedraal van ’s-Hertogenbosch, de Sint-Martinuskerk van Aalst of de abdij van Affligem. Ze trokken steenkappers, beeldhouwers en werklui aan, tot zelfs uit Wallonië en Picardië, om de steen te ontginnen en te vervoeren. Zo kunnen ook heel wat  Romaanse toponiemen uit deze streek verklaard worden, zoals Mattein, Mazits of Montil – of zelfs een Parijsstraat.
De bekendste ‘zavelput’ – of zullen we zeggen: de meest beruchte? – is ongetwijfeld de Duivelsput. Er wordt gezegd dat deze grillige scheur in de grond zijn naam te danken heeft aan de lijken van de misdadigers, die op de nabije Galgenberg werden opgeknoopt en hier werden gedumpt. Hun geesten zouden nog steeds rondzwerven in en om de Duivelsput, al of niet in de vorm van een dwaallicht, kermend en weeklagend… En inderdaad, wie goed luistert, zal ze ongetwijfeld horen…
Maar er bestaan ook andere verklaringen voor de herkomst van de naam. Zo zou Satan na verloop van tijd jaloers geworden zijn, omdat de zandsteen gebruikt werd voor het optrekken van heilige bouwwerken. En zou hij al eens iemand in de put getrokken hebben… En misschien is het hùn geweeklaag dat we horen…
Wie zich niet liet afschrikken door het gruwelijke gehuil dat hier regelmatig werd waargenomen, was Eugène De Smet. Als lid van het Belgisch Nationaal Congres en volks-vertegenwoordiger van de conservatieve, zoniet reactionaire soort, liet op deze verdoemde plek omstreeks 1850 het ‘Kasteel van Boechout’ optrekken. Eugène was ervan overtuigd dat het Ancien Regime vroeg of laat zou terugkeren, en wat hem betrof, liever vroeg dan laat. Hij trouwde dan ook alleen voor de Kerk en weigerde aanvankelijk zelfs een wettelijk huwelijk. Pas jaren later liet hij één en ander regulariseren, opdat zijn nakomelingen niet met een onwettige stempel door het leven hoefden te stappen.  
In 1825 was Eugène De Smet vrederechter geworden in Aalst; in 1830 werd hij daar door het Voorlopig Bewind tot arrondissementscommissaris benoemd. We kunnen ons dan ook afvragen waarom hij zo lang heeft gewacht om hier een optrekje te bouwen, dat paste bij zijn status. Als kleine jongen, aan de hand van mijn grootvader, heb ik Fons De Donder nog bezig gehoord over de bouw van het Kasteel van Boechout, alsof hij er zelf bij aanwezig was geweest. Maar dat was natuurlijk niet zo. Fons stierf in 1972, tachtig jaar oud. Hij was nog koewachter geweest onder de Heren Verbrugghen, en het is dankzij deze rasechte volksverteller dat de sagen en legenden rond de Duivelsput bewaard zijn gebleven.
‘Op zekere dag galoppeerde een voorname heer over de Boekhoutberg. Zijn naam was De Smet, als ik het mij goed herinner. Hierboven kwam hij zodanig onder de indruk van het weidse landschap en de eeuwenoude bossen, dat hij uit het zadel sprong, zijn wandelstok in de grond stak en uitriep: “Hier bouw ik een kasteel!” En zie, een weinig later troonde hij al zijn dame en hun hele gevolg mee naar dit plekje op de grens van Oost-Vlaanderen en Brabant… En iedereen was zo in de wolken over dit stukje hemel op aarde dat er weldra een schitterend kasteel uit de grond rees, bestaande uit drie verdiepingen en voorzien van een terras, een gastenkwartier en een herenhuis – alles met elkaar verbonden door een magnifieke glazen brug, getooid met druivenranken… En kwaamt ge langs Brabant binnen, dan moest ge in Vlaanderen gaan slapen!’
Volgens de voormalige koewachter zou Leopold I er vaak op bezoek gekomen zijn. Ook de eerste koning der Belgen vond het een sprookjesachtig mooie plek. ‘Jammer dat mijn residentie in Brussel gevestigd moet zijn,’ zou hij zich eens laten ontvallen hebben, ‘anders bouwde ik hier mijn paleis!’
De werkelijkheid zal ongetwijfeld een stuk prozaïscher geweest zijn. Dat Leopold I, als protestant, op bezoek kwam bij de virulente katholiek die zich hevig had verzet tegen de verkiezing van een telg van Saksen-Coburg tot koning der Belgen, lijkt allesbehalve aannemelijk. De waarheid is dat de paters van Affligem het heidense heiligdom van de Duivelsput al sinds de achtste eeuw – ja, voor de officiële stichting van de abdij! – hadden geannexeerd. Wellicht vonden ze het nu, om een of andere ons onbekende reden, hoog tijd om een extra oogje in het zeil te houden. En hoe konden ze dat beter doen dan door het domein van de Duivel in handen te spelen van een ultra-katholiek politicus, die toegang had tot de hoogste kringen van het land?
Tot voor de Tweede Wereldoorlog, in feite tot het moment dat het Kasteel van Boechout tot stof en asse wederkeerde, deden allerlei sterke verhalen de ronde in de streek, over de motieven van de doorluchtige heer De Smet om halsoverkop het hazenpad te kiezen. Nauwelijks had hij immers op ‘dit stukje hemel op aarde’ een klein paleisje gebouwd, of hij liet zich in 1856 al verkiezen voor het arrondissement Gent, als vertegenwoordiger van de landelijke bevolking aldaar, en ging in Gavere wonen. Het domein van Boechout, met zijn kasteel en zijn park, met zijn Zwarte Vijver en zijn Zwarte Molen uit 1827,  kwam in de handen van de Heren Verbrugghen, die door de goegemeente werden beschouwd als vroede en vrome vaderen, maar over wie uiteindelijk weinig of niets wezenlijks was geweten. Zelfs niet door de zo goed als alwetende paters van Affligem.
In 1936, na de dood van Henri Verbrugghen, werd het kasteeldomein aan de abdij van Affligem geschonken. Van de Heren Verbrugghen werd vervolgens niets meer vernomen, al vonden de paters het blijkbaar wel gepast dat hun naam verbonden zou blijven aan het domein. Wat er daarna met het Kasteel van Boechout gebeurde, is nog steeds gehuld in de nevels van het raadselachtige. De officiële versie van de feiten luidt dat het de bedoeling was het kasteel te gebruiken als een vakantiehuis voor missionarissen. Uiteindelijk waren het echter de leerlingen van het Vrij Technisch Instituut van Aalst die in de jaren veertig, kort na de oorlog, de beschikking kregen over het hoogst charmante gebouw. Omdat het zo moeilijk kon onderhouden worden, zouden zij dan belast geworden zijn met de afbraak van het kasteel. Al zijn er ook geruchten dat het kasteel al tijdens de oorlog was getroffen door een vliegende bom en tot op de grond afgebrand, of dat het zelfs nog voor de oorlog was getroffen door de bliksem en tot op de grond afgebrand, of dat het in brand was gestoken door één van de Heren Verbrugghen, een zekere Philippe. In dit laatste geval werd zelfs een zeer specifieke datum genoemd: 15 maart 1937. 
Wat er ook gebeurd mag zijn, vast staat dat in opdracht van de benedictijnen van Affligem, bij de Duivelsput een drietal nieuwe paviljoentjes werden gebouwd, en dat het domein vanaf dat moment een nieuwe bestemming kreeg – die van ‘jeugdcentrum’. Volgens de huidige gewestplannen mag het Domein Verbrugghen dan al ‘zonevreemd’ gelegen zijn, het griezelige verleden van de plek, galgenveld en heksenkring incluis, vormen al een halve eeuw de inspiratie voor griezelige nachtspelen…