Pagina's

17.12.12

Lovecraft 05: De vakantie van Lisa Lomé


 

Beste vriend Bernauw,

Hierbij stuur ik je de transcriptie van mijn hoorspel, uitgezonden op de Aalsterse vrije radio Katanga, in 1989. Zoals je je misschien alweer – vaag – herinnert, werd De Vakantie van Lisa Lomé destijds opgenomen in je reeks getiteld Huiveringwekkende Vertellingen, geproduceerd door het Onafhankelijk Radiofonisch Gezelschap ORAGE.

Vriendelijke groeten van je

Filip Lovecraft

 

De jonge vrouw was bijna niet te onderscheiden in die muur van mist, waarin ze geheel onverwacht opdook. Gedurende een fractie van een seconde werden haar zwarte haren en een paar dito ogen gevangen in het licht van mijn koplampen; ze stak bezwerend haar handen op, als om het onheil af te weren.

In een reflex gooide ik het stuur van mijn wagen om. Ik was er mij vaag van bewust dat ze op de pechstrook stond, en dat ik in de dichte mist van de rijweg moest zijn afgeweken. Een eindje verder kwam ik tot stilstand.

Ze kwam naar me toe gelopen. In een lange jurk met Indische motieven en verder niets. Enfin, verder niets dat ik kon zien. Een soort hippiemeisje, zoals je er tegenwoordig nog erg weinig ontmoet.

Ik draaide m’n raampje open. ‘Alles in orde?’ informeerde ik kortaf.

‘Ja,’ zei ze. ‘En met u? Met uw wagen?’

Ze sprak de woorden uit op een vreemd vlakke, toonloze manier – onder hypnose leek het wel, of alsof ze zo was geprogrammeerd, in een trance verkeerde, slaapwandelde. 

‘Wie gaat er nu in ‘s hemelsnaam moederziel alleen en in het holst van de nacht liften op de pechstrook van de snelweg? In zo’n mist dan nog!?’

Ze droeg niet eens een warme jas. Alleen die malle ouwerwetse jurk.

‘Nu goed. Waar wil je naartoe?’

‘Asse.’

‘Oké,’ zei ik. ‘Stap dan maar in.’

En dat deed ze – in een wolk van mist en… patchouli?

 

Toen de stilte ongemakkelijk begon aan te voelen, zette ik de autoradio aan. Tussen een hoop gefluit, gepiep en gekraak door was nog net de zomerhit van het jaar te horen: Clouseau met Anne.

‘Hou je van Clouseau?’ vroeg ik – een onhandige poging om een gesprek op gang te brengen, meer was het niet.

‘Nee,’ zei ze.

Door de storingen kon je toch bijna niets horen van het liedje, dus zette ik de radio maar weer uit.

‘Nee,’ herhaalde ze, en op die merkwaardig mechanische wijze van haar voegde ze eraan toe: ‘Nooit van gehoord. Ik heb het meer voor de Beatles. Jammer dat ze gesplit zijn, vind je niet?’

Ze had wat moeite met de uitspraak, hoorde ik. En ze liet het klinken alsof de Beatles gisteren waren gesplit, in plaats van bijna twintig jaar voordien.

‘Ik ben Lisa,’ ging ze toen plompverloren verder. ‘Lisa Lomé. Hallo.’

‘En wat voerde je daar eigenlijk uit op de pechstrook van de snelweg, Lisa?’

‘Ik logeerde bij een vriend,’ zei ze. ‘En nu wilde ik terug naar huis. Maar toen werd ik verrast door de mist.’

Zonder een mantel, zonder enige bagage gaan liften op de pechstrook van de snelweg, in de dichte miste? Ik geloofde er geen snars van, maar toen begon ze te klappertanden. Ze zag ook lijkbleek, merkte ik nu. En ze rilde.

Een bad trip, natuurlijk. Ja, dat verklaarde veel. Haar merkwaardige manier van praten, de hippiejurk, dat gedoe met de Beatles. Deze meid was blijven hangen in the sixties en had zich bij dat vriendje van haar te goed gedaan aan het soort spul waarvan je volledig van de wereld raakte.

Ik draaide de verwarming wat hoger en wees naar de warme trui op de achterbank, die ik nog haastig had meegegrist voor ik ging klussen. Het was een dikke wollen werktrui en hij zat vol olievegen, vetvlekken en verfspatten.

‘Trek maar aan.’

Ze ging gretig op m’n aanbod in.

 

Ik had haar opgepikt net voorbij de verkeerswisselaar van Groot-Bijgaarden, op de E40 richting kust. De afrit Ternat volgde dan vrij snel – ik dacht daarna, op de oude steenweg, even de voor mij verkeerde richting uit te gaan en naar Asse te rijden, in plaats van richting Erembodegem, waar ik woonde. Het was slechts een kleine omweg. Maar toen ik de snelweg bereikte, legde ze haar hand op de mijne.

‘Alstublieft,’ zei ze weer op die volmaakt vlakke, toonloze manier van haar. ‘Ik heb me bedacht.’

Haar hand was ijskoud.

‘Ik keer toch maar liever niet weer naar Asse. Neemt u me mee naar huis? Alstublieft?’

 Ik schraapte de keel. ‘Liever niet, Lisa. Ik ben getrouwd enne…’

‘Nee,’ zei ze. ‘Nee, dat bedoelde ik niet. Ik bedoelde: neemt u me mee naar het huis van mijn vriend?’

‘O. Juist. En waar woont die vriend?’

‘Aan de Romeinse Weg. In Affligem.’

‘Vlakbij de Duivelsput?’

‘Ja. Is dat een probleem?’

‘Nee. Ik woon daar ook in de buurt, da’s al. In Erembodegem. Net aan de overkant… van de grens tussen Brabant en Oost-Vlaanderen, bedoel ik.’

Waarom begon ik nu ineens zo te brabbelen?

‘Die wordt trouwens aangegeven door een heuse steen, wist je dat? Een mijlsteen. Napoleon heeft die daar nog gezet. En ik woon dus net over de grens, in Oost-Vlaanderen.’

Ze knikte. En we reden door.

 

Ik wist dat er daar een vrij grote villa lag, in het bos, net achter de Duivelsput, aan de Romeinse Weg. In ‘zonevreemd’ gebied, had ik altijd gedacht. Het zou daar wel zijn dat haar vriend woonde, dacht ik toen ik stopte op de hoek van de Molenberg en de Romeinse Weg. Dit was de oude heirbaan, op deze plek niet meer dan een grindpad die naar die ene villa leidde, vervolgens –  bij de Duivelsput – versmalde tot een bospad, en voorbij de Duivelsput verbreedde tot een karrenspoor.

In deze mist was het te gevaarlijk om met de auto het pad te volgen, maar ik wilde haar ook niet opnieuw moederziel alleen de nacht in sturen.

‘Zal ik met je meegaan?’ vroeg ik dus.

Ze legde een ijskoude vinger op mijn lippen. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nu niets meer zeggen, niets meer vragen. Ik heb mijn vriend beloofd terug te komen. Altijd. Wat er ook gebeuren mocht.’

Ze stapte uit en was het volgende moment al opgelost in de mist. Ik bleef beduusd zitten, ten prooi aan de meest tegenstrijdige gevoelens. Bijna automatisch zette ik de radio maar weer aan. Meteen was er de zwoele stem van de late radio-omroepster, die zei dat er op de snelweg krak richting krakkrak een spookrijder werd gesignaleerd krààààkkk.

 

Net de mysterieuze manier waarop Lisa Lomé weer was verdwenen in de mist waaruit ze luttele minuten voordien opeens was verschenen, maakte dat haar spookbeeld mij begon… te beheksen? Ik moest haar terugzien… en ik had ook een goeie reden om haar op te zoeken, al was het dan in de villa van haar vriend, daar bij de Duivelsput, in zonevreemd gebied. Ze had m’n vieze vuile wollen werktrui nog aan.

En zodoende trok ik mijn stoute laarzen aan, en ging ik de volgende dag wandelen langs het wegeltje dat ook bekend stond als de Galgenberg, en dat regelrecht naar het Domein Verbrugghen leidde, en de Duivelsput, en de villa van Lisa’s vriend.

Voordat ik mij kon bedenken, met een hart dat wild roffelend tot in mijn keel te keer ging, belde ik aan. Na een paar tellen hoorde ik sloffende voetstappen achter de deur, die uiteindelijk op een voorzichtige kier werd geopend.

Een niet onknappe dame van middelbare leeftijd keek me aan, met gefronste wenkbrauwen, een vaag glimlachje om de lippen. Ojee, dacht ik – als dit de echtgenote was van Lisa’s vriend, had ik dringend een plausibel klinkende smoes nodig. Tenzij het de moeder van de vriend was, wat eveneens tot de mogelijkheden leek te behoren.

‘Excuseer, mevrouw,’ zei ik, ‘maar kent u een zekere Lisa Lomé?’

Het vage glimlachje verbreedde zich. ‘Niet persoonlijk, nee,’ zei de dame. ‘Maar ik heb al veel over haar gehoord.’

‘Hoezo?’

‘Mannen van zo ongeveer uw leeftijd komen hier wel vaker naar haar vragen. Eerlijk gezegd, denk ik dat er meisje aan het werk is met een nogal apart gevoel voor humor. En dat u haar nieuwste slachtoffer bent.’

‘Ik begrijp niet wat…’

‘Draagt ze soms een sjaal van u, of heeft ze iets meegenomen uit uw wagen? Hebt u haar een cassette of een boek geleend?’

‘Ik heb haar mijn trui gegeven…’

‘Ach zo. Wel, wandelt u dan vooral verder, naar de Duivelsput. Als u goed zoekt, zult u hem daar zeker vinden.’

 

 
 
En inderdaad vond ik, keurig gedrapeerd over een boomstronk, de wollen werktrui met de vieze vegen die Lisa enkele uren eerder had aangetrokken. Er was een foto op geprikt, van het soort dat je wel eens op grafstenen ziet staan: Lisa Lomé, 1953-1971 – Smartelijk uit ons leven weggerukt, op de pechstrook van de snelweg.
 
 
 
 
 

Geen opmerkingen: