Pagina's

20.12.12

Catrin Welz-Stein droomt van Nautilus Cthulhu, Yog-Sothoth, Robot Radulfus en de Mandragora


De artieste Catrin Welz-Stein heeft ongetwijfeld inspiratie gezocht en gevonden tussen Galgenberg en Duivelsput. Hierboven zien we haar interpretatie van de Nautilus Cthulhu, die daar werd aangetroffen. Hieronder: haar visioen van Yog-Sothoth.




 


En zouden dit voor de rest Joost P. Graetmaegher of de Robot Radulfus kunnen zijn? En Belle Fonteyne, de Alruine van het Kasteel van Boechout?

17.12.12

Lovecraft 05: De vakantie van Lisa Lomé


 

Beste vriend Bernauw,

Hierbij stuur ik je de transcriptie van mijn hoorspel, uitgezonden op de Aalsterse vrije radio Katanga, in 1989. Zoals je je misschien alweer – vaag – herinnert, werd De Vakantie van Lisa Lomé destijds opgenomen in je reeks getiteld Huiveringwekkende Vertellingen, geproduceerd door het Onafhankelijk Radiofonisch Gezelschap ORAGE.

Vriendelijke groeten van je

Filip Lovecraft

 

De jonge vrouw was bijna niet te onderscheiden in die muur van mist, waarin ze geheel onverwacht opdook. Gedurende een fractie van een seconde werden haar zwarte haren en een paar dito ogen gevangen in het licht van mijn koplampen; ze stak bezwerend haar handen op, als om het onheil af te weren.

In een reflex gooide ik het stuur van mijn wagen om. Ik was er mij vaag van bewust dat ze op de pechstrook stond, en dat ik in de dichte mist van de rijweg moest zijn afgeweken. Een eindje verder kwam ik tot stilstand.

Ze kwam naar me toe gelopen. In een lange jurk met Indische motieven en verder niets. Enfin, verder niets dat ik kon zien. Een soort hippiemeisje, zoals je er tegenwoordig nog erg weinig ontmoet.

Ik draaide m’n raampje open. ‘Alles in orde?’ informeerde ik kortaf.

‘Ja,’ zei ze. ‘En met u? Met uw wagen?’

Ze sprak de woorden uit op een vreemd vlakke, toonloze manier – onder hypnose leek het wel, of alsof ze zo was geprogrammeerd, in een trance verkeerde, slaapwandelde. 

‘Wie gaat er nu in ‘s hemelsnaam moederziel alleen en in het holst van de nacht liften op de pechstrook van de snelweg? In zo’n mist dan nog!?’

Ze droeg niet eens een warme jas. Alleen die malle ouwerwetse jurk.

‘Nu goed. Waar wil je naartoe?’

‘Asse.’

‘Oké,’ zei ik. ‘Stap dan maar in.’

En dat deed ze – in een wolk van mist en… patchouli?

 

Toen de stilte ongemakkelijk begon aan te voelen, zette ik de autoradio aan. Tussen een hoop gefluit, gepiep en gekraak door was nog net de zomerhit van het jaar te horen: Clouseau met Anne.

‘Hou je van Clouseau?’ vroeg ik – een onhandige poging om een gesprek op gang te brengen, meer was het niet.

‘Nee,’ zei ze.

Door de storingen kon je toch bijna niets horen van het liedje, dus zette ik de radio maar weer uit.

‘Nee,’ herhaalde ze, en op die merkwaardig mechanische wijze van haar voegde ze eraan toe: ‘Nooit van gehoord. Ik heb het meer voor de Beatles. Jammer dat ze gesplit zijn, vind je niet?’

Ze had wat moeite met de uitspraak, hoorde ik. En ze liet het klinken alsof de Beatles gisteren waren gesplit, in plaats van bijna twintig jaar voordien.

‘Ik ben Lisa,’ ging ze toen plompverloren verder. ‘Lisa Lomé. Hallo.’

‘En wat voerde je daar eigenlijk uit op de pechstrook van de snelweg, Lisa?’

‘Ik logeerde bij een vriend,’ zei ze. ‘En nu wilde ik terug naar huis. Maar toen werd ik verrast door de mist.’

Zonder een mantel, zonder enige bagage gaan liften op de pechstrook van de snelweg, in de dichte miste? Ik geloofde er geen snars van, maar toen begon ze te klappertanden. Ze zag ook lijkbleek, merkte ik nu. En ze rilde.

Een bad trip, natuurlijk. Ja, dat verklaarde veel. Haar merkwaardige manier van praten, de hippiejurk, dat gedoe met de Beatles. Deze meid was blijven hangen in the sixties en had zich bij dat vriendje van haar te goed gedaan aan het soort spul waarvan je volledig van de wereld raakte.

Ik draaide de verwarming wat hoger en wees naar de warme trui op de achterbank, die ik nog haastig had meegegrist voor ik ging klussen. Het was een dikke wollen werktrui en hij zat vol olievegen, vetvlekken en verfspatten.

‘Trek maar aan.’

Ze ging gretig op m’n aanbod in.

 

Ik had haar opgepikt net voorbij de verkeerswisselaar van Groot-Bijgaarden, op de E40 richting kust. De afrit Ternat volgde dan vrij snel – ik dacht daarna, op de oude steenweg, even de voor mij verkeerde richting uit te gaan en naar Asse te rijden, in plaats van richting Erembodegem, waar ik woonde. Het was slechts een kleine omweg. Maar toen ik de snelweg bereikte, legde ze haar hand op de mijne.

‘Alstublieft,’ zei ze weer op die volmaakt vlakke, toonloze manier van haar. ‘Ik heb me bedacht.’

Haar hand was ijskoud.

‘Ik keer toch maar liever niet weer naar Asse. Neemt u me mee naar huis? Alstublieft?’

 Ik schraapte de keel. ‘Liever niet, Lisa. Ik ben getrouwd enne…’

‘Nee,’ zei ze. ‘Nee, dat bedoelde ik niet. Ik bedoelde: neemt u me mee naar het huis van mijn vriend?’

‘O. Juist. En waar woont die vriend?’

‘Aan de Romeinse Weg. In Affligem.’

‘Vlakbij de Duivelsput?’

‘Ja. Is dat een probleem?’

‘Nee. Ik woon daar ook in de buurt, da’s al. In Erembodegem. Net aan de overkant… van de grens tussen Brabant en Oost-Vlaanderen, bedoel ik.’

Waarom begon ik nu ineens zo te brabbelen?

‘Die wordt trouwens aangegeven door een heuse steen, wist je dat? Een mijlsteen. Napoleon heeft die daar nog gezet. En ik woon dus net over de grens, in Oost-Vlaanderen.’

Ze knikte. En we reden door.

 

Ik wist dat er daar een vrij grote villa lag, in het bos, net achter de Duivelsput, aan de Romeinse Weg. In ‘zonevreemd’ gebied, had ik altijd gedacht. Het zou daar wel zijn dat haar vriend woonde, dacht ik toen ik stopte op de hoek van de Molenberg en de Romeinse Weg. Dit was de oude heirbaan, op deze plek niet meer dan een grindpad die naar die ene villa leidde, vervolgens –  bij de Duivelsput – versmalde tot een bospad, en voorbij de Duivelsput verbreedde tot een karrenspoor.

In deze mist was het te gevaarlijk om met de auto het pad te volgen, maar ik wilde haar ook niet opnieuw moederziel alleen de nacht in sturen.

‘Zal ik met je meegaan?’ vroeg ik dus.

Ze legde een ijskoude vinger op mijn lippen. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nu niets meer zeggen, niets meer vragen. Ik heb mijn vriend beloofd terug te komen. Altijd. Wat er ook gebeuren mocht.’

Ze stapte uit en was het volgende moment al opgelost in de mist. Ik bleef beduusd zitten, ten prooi aan de meest tegenstrijdige gevoelens. Bijna automatisch zette ik de radio maar weer aan. Meteen was er de zwoele stem van de late radio-omroepster, die zei dat er op de snelweg krak richting krakkrak een spookrijder werd gesignaleerd krààààkkk.

 

Net de mysterieuze manier waarop Lisa Lomé weer was verdwenen in de mist waaruit ze luttele minuten voordien opeens was verschenen, maakte dat haar spookbeeld mij begon… te beheksen? Ik moest haar terugzien… en ik had ook een goeie reden om haar op te zoeken, al was het dan in de villa van haar vriend, daar bij de Duivelsput, in zonevreemd gebied. Ze had m’n vieze vuile wollen werktrui nog aan.

En zodoende trok ik mijn stoute laarzen aan, en ging ik de volgende dag wandelen langs het wegeltje dat ook bekend stond als de Galgenberg, en dat regelrecht naar het Domein Verbrugghen leidde, en de Duivelsput, en de villa van Lisa’s vriend.

Voordat ik mij kon bedenken, met een hart dat wild roffelend tot in mijn keel te keer ging, belde ik aan. Na een paar tellen hoorde ik sloffende voetstappen achter de deur, die uiteindelijk op een voorzichtige kier werd geopend.

Een niet onknappe dame van middelbare leeftijd keek me aan, met gefronste wenkbrauwen, een vaag glimlachje om de lippen. Ojee, dacht ik – als dit de echtgenote was van Lisa’s vriend, had ik dringend een plausibel klinkende smoes nodig. Tenzij het de moeder van de vriend was, wat eveneens tot de mogelijkheden leek te behoren.

‘Excuseer, mevrouw,’ zei ik, ‘maar kent u een zekere Lisa Lomé?’

Het vage glimlachje verbreedde zich. ‘Niet persoonlijk, nee,’ zei de dame. ‘Maar ik heb al veel over haar gehoord.’

‘Hoezo?’

‘Mannen van zo ongeveer uw leeftijd komen hier wel vaker naar haar vragen. Eerlijk gezegd, denk ik dat er meisje aan het werk is met een nogal apart gevoel voor humor. En dat u haar nieuwste slachtoffer bent.’

‘Ik begrijp niet wat…’

‘Draagt ze soms een sjaal van u, of heeft ze iets meegenomen uit uw wagen? Hebt u haar een cassette of een boek geleend?’

‘Ik heb haar mijn trui gegeven…’

‘Ach zo. Wel, wandelt u dan vooral verder, naar de Duivelsput. Als u goed zoekt, zult u hem daar zeker vinden.’

 

 
 
En inderdaad vond ik, keurig gedrapeerd over een boomstronk, de wollen werktrui met de vieze vegen die Lisa enkele uren eerder had aangetrokken. Er was een foto op geprikt, van het soort dat je wel eens op grafstenen ziet staan: Lisa Lomé, 1953-1971 – Smartelijk uit ons leven weggerukt, op de pechstrook van de snelweg.
 
 
 
 
 

6.12.12

Legende van Lovecraft 04: Het Kasteel van Boechout



 
Waarde vriend,

Graag herinner ik je met deze indertijd door mij gemaakte transcriptie, aan de radiodocumentaire die je produceerde met het Onafhankelijk Radiofonisch Gezelschap ORAGE in de reeks Fantastisch Vlaanderen, uitgezonden op de Aalsterse vrije radio Katanga, in 1989. 

Hartelijk,
Filip Lovecraft
 

We lopen hier nu door een zogenaamde ‘zavelput’, in feite één van de vele zandsteengroeven op de grens van het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant, die in het midden van de 18de eeuw uitgeput raakten. Eeuwenlang hadden zij een mooie witte steen opgeleverd, waarmee heel wat gewijde bouwwerken werden gebouwd, zoals de Sint-Michielskathedraal van Brussel, de Sint-Janskathedraal van ’s-Hertogenbosch, de Sint-Martinuskerk van Aalst of de abdij van Affligem. Ze trokken steenkappers, beeldhouwers en werklui aan, tot zelfs uit Wallonië en Picardië, om de steen te ontginnen en te vervoeren. Zo kunnen ook heel wat  Romaanse toponiemen uit deze streek verklaard worden, zoals Mattein, Mazits of Montil – of zelfs een Parijsstraat.
De bekendste ‘zavelput’ – of zullen we zeggen: de meest beruchte? – is ongetwijfeld de Duivelsput. Er wordt gezegd dat deze grillige scheur in de grond zijn naam te danken heeft aan de lijken van de misdadigers, die op de nabije Galgenberg werden opgeknoopt en hier werden gedumpt. Hun geesten zouden nog steeds rondzwerven in en om de Duivelsput, al of niet in de vorm van een dwaallicht, kermend en weeklagend… En inderdaad, wie goed luistert, zal ze ongetwijfeld horen…
Maar er bestaan ook andere verklaringen voor de herkomst van de naam. Zo zou Satan na verloop van tijd jaloers geworden zijn, omdat de zandsteen gebruikt werd voor het optrekken van heilige bouwwerken. En zou hij al eens iemand in de put getrokken hebben… En misschien is het hùn geweeklaag dat we horen…
Wie zich niet liet afschrikken door het gruwelijke gehuil dat hier regelmatig werd waargenomen, was Eugène De Smet. Als lid van het Belgisch Nationaal Congres en volks-vertegenwoordiger van de conservatieve, zoniet reactionaire soort, liet op deze verdoemde plek omstreeks 1850 het ‘Kasteel van Boechout’ optrekken. Eugène was ervan overtuigd dat het Ancien Regime vroeg of laat zou terugkeren, en wat hem betrof, liever vroeg dan laat. Hij trouwde dan ook alleen voor de Kerk en weigerde aanvankelijk zelfs een wettelijk huwelijk. Pas jaren later liet hij één en ander regulariseren, opdat zijn nakomelingen niet met een onwettige stempel door het leven hoefden te stappen.  
In 1825 was Eugène De Smet vrederechter geworden in Aalst; in 1830 werd hij daar door het Voorlopig Bewind tot arrondissementscommissaris benoemd. We kunnen ons dan ook afvragen waarom hij zo lang heeft gewacht om hier een optrekje te bouwen, dat paste bij zijn status. Als kleine jongen, aan de hand van mijn grootvader, heb ik Fons De Donder nog bezig gehoord over de bouw van het Kasteel van Boechout, alsof hij er zelf bij aanwezig was geweest. Maar dat was natuurlijk niet zo. Fons stierf in 1972, tachtig jaar oud. Hij was nog koewachter geweest onder de Heren Verbrugghen, en het is dankzij deze rasechte volksverteller dat de sagen en legenden rond de Duivelsput bewaard zijn gebleven.
‘Op zekere dag galoppeerde een voorname heer over de Boekhoutberg. Zijn naam was De Smet, als ik het mij goed herinner. Hierboven kwam hij zodanig onder de indruk van het weidse landschap en de eeuwenoude bossen, dat hij uit het zadel sprong, zijn wandelstok in de grond stak en uitriep: “Hier bouw ik een kasteel!” En zie, een weinig later troonde hij al zijn dame en hun hele gevolg mee naar dit plekje op de grens van Oost-Vlaanderen en Brabant… En iedereen was zo in de wolken over dit stukje hemel op aarde dat er weldra een schitterend kasteel uit de grond rees, bestaande uit drie verdiepingen en voorzien van een terras, een gastenkwartier en een herenhuis – alles met elkaar verbonden door een magnifieke glazen brug, getooid met druivenranken… En kwaamt ge langs Brabant binnen, dan moest ge in Vlaanderen gaan slapen!’
Volgens de voormalige koewachter zou Leopold I er vaak op bezoek gekomen zijn. Ook de eerste koning der Belgen vond het een sprookjesachtig mooie plek. ‘Jammer dat mijn residentie in Brussel gevestigd moet zijn,’ zou hij zich eens laten ontvallen hebben, ‘anders bouwde ik hier mijn paleis!’
De werkelijkheid zal ongetwijfeld een stuk prozaïscher geweest zijn. Dat Leopold I, als protestant, op bezoek kwam bij de virulente katholiek die zich hevig had verzet tegen de verkiezing van een telg van Saksen-Coburg tot koning der Belgen, lijkt allesbehalve aannemelijk. De waarheid is dat de paters van Affligem het heidense heiligdom van de Duivelsput al sinds de achtste eeuw – ja, voor de officiële stichting van de abdij! – hadden geannexeerd. Wellicht vonden ze het nu, om een of andere ons onbekende reden, hoog tijd om een extra oogje in het zeil te houden. En hoe konden ze dat beter doen dan door het domein van de Duivel in handen te spelen van een ultra-katholiek politicus, die toegang had tot de hoogste kringen van het land?
Tot voor de Tweede Wereldoorlog, in feite tot het moment dat het Kasteel van Boechout tot stof en asse wederkeerde, deden allerlei sterke verhalen de ronde in de streek, over de motieven van de doorluchtige heer De Smet om halsoverkop het hazenpad te kiezen. Nauwelijks had hij immers op ‘dit stukje hemel op aarde’ een klein paleisje gebouwd, of hij liet zich in 1856 al verkiezen voor het arrondissement Gent, als vertegenwoordiger van de landelijke bevolking aldaar, en ging in Gavere wonen. Het domein van Boechout, met zijn kasteel en zijn park, met zijn Zwarte Vijver en zijn Zwarte Molen uit 1827,  kwam in de handen van de Heren Verbrugghen, die door de goegemeente werden beschouwd als vroede en vrome vaderen, maar over wie uiteindelijk weinig of niets wezenlijks was geweten. Zelfs niet door de zo goed als alwetende paters van Affligem.
In 1936, na de dood van Henri Verbrugghen, werd het kasteeldomein aan de abdij van Affligem geschonken. Van de Heren Verbrugghen werd vervolgens niets meer vernomen, al vonden de paters het blijkbaar wel gepast dat hun naam verbonden zou blijven aan het domein. Wat er daarna met het Kasteel van Boechout gebeurde, is nog steeds gehuld in de nevels van het raadselachtige. De officiële versie van de feiten luidt dat het de bedoeling was het kasteel te gebruiken als een vakantiehuis voor missionarissen. Uiteindelijk waren het echter de leerlingen van het Vrij Technisch Instituut van Aalst die in de jaren veertig, kort na de oorlog, de beschikking kregen over het hoogst charmante gebouw. Omdat het zo moeilijk kon onderhouden worden, zouden zij dan belast geworden zijn met de afbraak van het kasteel. Al zijn er ook geruchten dat het kasteel al tijdens de oorlog was getroffen door een vliegende bom en tot op de grond afgebrand, of dat het zelfs nog voor de oorlog was getroffen door de bliksem en tot op de grond afgebrand, of dat het in brand was gestoken door één van de Heren Verbrugghen, een zekere Philippe. In dit laatste geval werd zelfs een zeer specifieke datum genoemd: 15 maart 1937. 
Wat er ook gebeurd mag zijn, vast staat dat in opdracht van de benedictijnen van Affligem, bij de Duivelsput een drietal nieuwe paviljoentjes werden gebouwd, en dat het domein vanaf dat moment een nieuwe bestemming kreeg – die van ‘jeugdcentrum’. Volgens de huidige gewestplannen mag het Domein Verbrugghen dan al ‘zonevreemd’ gelegen zijn, het griezelige verleden van de plek, galgenveld en heksenkring incluis, vormen al een halve eeuw de inspiratie voor griezelige nachtspelen…

28.11.12

Legende van Lovecraft 03: De Tombe











Geef toch toe, dat je van kindsbeen af een dromer bent geweest. Dat je zag en hoorde wat anderen niet konden zien of horen – doorschijnende wezens in het woud van je dromen, een stem in je hoofd die de jouwe niet was: nu eens was de stem van een man, dan weer die van een vrouw, een jongen, een meisje. Maar ze sprak altijd Engels, zodat jij de taal van Shakespeare al machtig was nog voor je de driewieler inruilde voor een echte fiets, en zonder één enkele les te krijgen. Je kon geen Engels schrijven en je durfde het niet spreken – omdat je het later ook niet wilde, is je accent altijd afschuwelijk gebleven –, maar je begreep alles wat de stemmen je vertelden. Bijvoorbeeld, hoe je voortdurend verdwaalde…
… in realms apart from the visible world; spending my youth and adolescence in ancient and little known books, and in roaming the fields and groves of the region near my ancestral home. I do not think that what I read in these books or saw in these fields and groves was exactly what other boys read and saw there, but of this I must say little…
Achter het huis van je grootouders bevond zich het restant van de heirbaan Tongeren-Boulogne, die onder meer het Romeinse legerkamp van Assche verbond met de Nervische hoofdstad Bagacum Nerviorum, oftewel: Bavay. Maar lang voordien volgden Keltische handelaars deze route al; daarop wezen de talloze grafheuvels uit Brons- en IJzertijd. De route sneed dwars door het oeroude Kolenwoud en zou later nog uitstekende diensten bewijzen voor het transport van de zandsteen die in de streek van Asse, Meldert, Erembodegem en Affligem werd gewonnen, en waarmee onder meer de Sint-Michielskathedraal van Brussel, de Sint-Janskathedraal van ’s-Hertogenbosch, de Sint-Martinuskerk van Aalst en de abdij van Affligem werden gebouwd. Uitgeputte zandsteengroeven lieten diepe kraters achter, die zich vulden met water en in het beste geval veranderden in visvijvers, in het slechtste in verraderlijke moerassen. Eén zo’n gat in de grond, de Duivelsput, had in de loop der tijden een uitzonderlijk kwalijke reputatie verworven, en toch was het in zijn…
… twilight deeps I spent most of my time; reading, thinking, and dreaming. Down its moss-covered slopes my first steps of infancy were taken, and around its grotesquely gnarled oak trees my first fancies of boyhood were woven.
Hier is het dat je voor het eerst een bosnimf hebt gezien, uitgelaten dansend in het maanlicht – haar naam klonk als Isa... of Lisa. Maar laten we het hier verder niet over hebben, mijn jonge vriend – want zoals ik in mijn verhaal The Tomb op een open plek in het bos de eenzame tombe van de Hyde familie heb gevonden, zo vond jij daar, met Duivelsput en Galgenberg in de rug, aan de oever van de Zwarte Vijver, het kleine mausoleum van de Heren Verbrugghen. Hun kasteel was in de jaren dertig met de grond gelijk gemaakt, maar de paters van de abdij van Affligem hadden hun naam het eeuwige leven geschonken. Niemand wist waarom precies, of het zou moeten zijn dat de paters net op deze manier het ultieme bewijs hoopten te leveren dat het Goede wel degelijk had gezegevierd op het Kwaad, en dat van de Boze werkelijk niets meer te vrezen viel. En hoe konden ze dat beter doen door het domein van de Heren Verbruggen, met zijn Duivelsput en Galgenberg, ook officieel om te dopen tot een ‘Domein Verbrugghen’? De Heren Verbrugghen – van Dames was merkwaardig genoeg nooit sprake in de familiegeschiedenis –
… the race whose scions are here inurned had once crowned the declivity which holds the tomb, but had long since fallen victim to the flames which sprang up from a stroke of lightning. Of the midnight storm which destroyed this gloomy mansion, the older inhabitants of the region sometimes speak in hushed and uneasy voices; alluding to what they call 'divine wrath'…

Nooit zal je de namiddag vergeten toen je voor het eerst op dat verborgen doodshuis stootte. Het was hoogzomer, en het was of je werd bedwelmd door de subtiele geuren van het bos, zijn planten en bloemen, zijn kreupelhout en struikgewas. De geest verliest ieder perspectief  in die omstandigheden; tijd en ruimte worden irreële begrippen, en echo’s van een vergeten voorhistorisch verleden dringen je bewustzijn binnen.
Je kwam hier vaak met je grootvader, maar nooit was je zo ver geweest. Er hingen overal bordjes met Verboden toegang! of Privé Terrein en je zag er zelfs met een doodskop en daaronder in vlammend rood: Danger! En volgens je grootvader lagen er in de buurt van de Zwarte Vijver nog volop ‘wolfsijzers en schietgeweren’ uit de tijd van de Heren Verbrugghen.
Een hele dag had je door de restanten van dit mystieke Kolenwoud gedwaald, langs een karrenspoor dat nog herinnerde aan de antieke Romeinse weg…
… thinking thoughts I need not discuss, and conversing with things I need not name. In years a child of ten, I had seen and heard many wonders unknown to the throng; and was oddly aged in certain respects.
En toen – je baande je een weg door een veld van braamstruiken – stootte je plots op dat kleine dodenhuisje, opgetrokken uit de zandsteen waarvoor deze streek in lang vervlogen tijden bekend had gestaan. De deur stond op een kier, maar een ijzeren ketting en hangsloten verhinderden je de kluis te betreden.
Aangespoord door een stem, die nu eens niets anders leek te zijn dan de zwarte ziel van het Kolenwoud zelf, dan klonk als die van mij of zelfs die van de bosnimf Lisa, gluurde je door de kille vochtige spleet naar binnen. Je trok en sleurde aan de roestige ketens in de hoop de deur verder open te krijgen en zo toch nog naar binnen te kunnen glippen, maar het was al tevergeefs.
And returning home in the thickening twilight, you have sworn to the hundred gods of the grove, that at any cost you would someday force an entrance to the black and chilly depths, that seemed calling out to you.
De tombe fascineerde en obsedeerde je. Op een of andere manier associeerde je de kille zandsteen met een warm en ademend vrouwenlichaam, met de baarmoeder zelfs waaruit de Heren Verbrugghen waren ontsproten – en dan had je nog niet eens Freud gelezen.
Je besefte heel goed dat de geheimen van de sinistere Heren van de Duivelsput hier samen met hen waren begraven. Je dacht aan het gedempte gefluister van de volwassenen, en hun verhalen over de zonderlinge rituelen en losbandige festijnen die hadden plaatsgevonden op het domein van het kasteel dat er nu niet meer was. En dat dit de reden was waarom het moest worden afgebroken… of waarom een Goddelijke Bliksem de Tempel van de Boze in de as had gelegd – het onderscheid was niet zo duidelijk.  
Dagenlang zat je te mijmeren voor de op een kier staande deur van de tombe. Je bracht een sterke zaklamp mee en speurde het voorportaal af, maar je ontdekte alleen het begin van een stenen trap die in de aarde verdween. De geur van verderf was weerzinwekkend, en toch trok het je aan. In een verleden dat voorbij je herinneringen lag, zelfs voorbij het lichaam waarover je nu kon beschikken, was je hier al eens geweest.
How many years have you been looking forward with hot eagerness to this moment, my love?
Hoevele jaren had je – opgewonden en verlangend – uitgekeken naar dit moment? Naar het ogenblik waarop je door een glibberige poort naar binnen zou glippen, om af te dalen in de duisternis van die stenen treden?
Here you would lie outstretched on the mossy ground, thinking strange thoughts and dreaming strange dreams.
Uitgestrekt op de mosgrond voor de ingang van de tombe dacht je vreemde gedachten en droomde je vreemde dromen. Het voelde onmiskenbaar aan als een ontwaken, toen je mijn stem weer hoorde – monotoon, mechanisch, en met dat ongewone vocabularium, die merkwaardige uitspraak.
Was het je verbeelding, of werd daar inderdaad haastig een licht gedoofd in dit haast volkomen in het drijfzand verzonken heiligdom?
Niet dat je overmeesterd werd door paniek, je was zelfs nauwelijks geschrokken. Gehoor verlenend aan een plotselinge ingeving, ging je naar huis en opende de oude zeemanskist in de schuur, die je lang geleden had gekregen van je grootvader, om je speelgoed in te bewaren. Hij was timmerman, hij had ze nog met zijn eigen handen gemaakt.
Het verwonderde je niet dat je er een sleutel in vond waarvan je was vergeten dat hij er ooit was geweest, of op welk slot hij paste.
And so, in the soft glow of late afternoon, you enter the vault. A spell is upon you, your heart leaps with an exultation you can but ill describe.
Wanneer je de deur achter je sluit en in het eenzame licht van een kandelaar de gladde trap afdaalt, lijkt het of je de weg hier kent. And though the candle sputters with the stifling reek of my place, you feel singularly at home in this musty, charnel-house air.
Zoals je kan zien, rusten de kisten op marmeren tafels. Sommige zijn verzegeld en intact, andere zo goed als verdwenen, leaving the silver handles and plates isolated amidst certain curious heaps of whitish dust.
Op een koperen plaatje lees je de naam die ooit de mijne was: ‘Philippe Verbrugghen.’
En in een alkoof vind je twee namen die je doen glimlachen, en beven op je benen. Om vervolgens de kaars uit te blazen, als voor het slapen gaan, om in de kist te gaan leggen naast je bosnimf, op de lege plaats die daar voor jou werd gereserveerd…


(Foto: Highgate Gothix Remix by Anders B.)





Zie ook: 
 

Thinking of H.P. Lovecraft's Tomb free download






22.11.12

Legende van Lovecraft 02: De Carrousel uit de Hel





Mijn jonge vriend,

U vraagt zich af wie ik ben, wie ik werkelijk ben, en wat mij drijft. U bent niet (meer) in staat mij op mijn woord te geloven. Dat begrijp ik. U hebt zelf te veel verhalen verzonnen en al te vaak uw fictie vermomd als een feit, om zonder meer geloof te hechten aan een correspondent die plotseling uit het niets is opgedoken en de naam Lovecraft draagt. Vandaar dat het mij zinvol lijkt, voordat ik een tip van de sluier oplicht over de taak die ons wacht, u een hard en onloochenbaar bewijs te verschaffen met betrekking tot de plaats waar ik mij bevind, meer bepaald dus de Brug van Einstein-Rosen.
Al van kindsbeen af koestert u een gruwelijke – en voor iedereen onverklaarbare – aversie voor alles wat met de kermis te maken heeft. Onverklaarbaar voor iedereen, mijn jonge vriend – behalve voor u dan, en voor mij. Zelf slaagt u er doorgaans in het trauma uit uw kindertijd min of meer uit uw parate geheugen te verdringen. En breekt het onverhoopt toch door de dikke vestingmuren die u hebt opgetrokken rond wat u beschouwt als uw gezond verstand, dan schrijft u het alsnog af als een product van uw verbeelding, een kinderlijke fantasie en niets meer.
Nu we al zo ver zijn dat ik uw diepste, meest intieme angst heb blootgelegd, is het misschien wel gepast dat ik u ook tutoyeer? Ik weet namelijk heel goed, mijn jonge vriend, hoe je als jonge vader en gedwongen door de omstandigheden ook een tijdje in het hart van Aalst hebt gewoond. Jullie huis op de Boekboutberg werd verbouwd, en jij en je vrouw logeerden samen met jullie dochtertje van drie boven een winkel in de Kattestraat. Ik weet heel goed hoe verschrikkelijk het voor je was, toen het Carnaval eraan kwam. Niet zozeer vanwege het Carnaval zelf, en zijn oeroude rituelen, maar vanwege de foor en zijn foorkramers.
Je zou ‘m eerst horen: de nieuwste hits die uit de luidsprekers schalden, het onophoudelijke loeien van de sirenes, het enerverende elektronische biepen. Ging je het huis uit, dan zou je ‘m ook dadelijk weer ruiken: de geur van olie en vet, van hamburgers en hot-dogs – en je zou niets liever willen dan de penetrante stank van je af spoelen met véél, met stromend water. Pas een paar straten verder zou je de kermis ook echt zien.
Tot het uiterste gespannen hield je de stadsambtenaren in de gaten, die met een krijtje nummers tekenden op de kasseien. En toen de eerste foorwagens aankwamen en alle beschikbare ruimte inpalmden, bespiedde je ze met een wild kloppend hart, dichtgesnoerde keel, tang rond je maag. Mannen in psychedelisch gekleurde jassen schilderden pal in het midden van de Grote Markt de rails van een roetsjbaan helblauw. Wantrouwig bekeek je de chaos van houten blokken, ijzeren staven, panelen met geschilderde decors. Rusteloos dwaalde je langs hamburgerkraampjes en loterijtenten, langs een Zwevende Inktvis en een Spookpaleis, op zoek naar die ene, antieke, anachronistische Carrousel uit de Hel.  Doodsbang dat je vrouw je zou vragen voor de duur van een enkel ritje van de suikerzoete koekjesdozenromantiek te proeven en jouw Prinses te mogen worden, en jij haar Prins op het Witte Paard. Of erger nog, dat zij je dochtertje zou meenemen voor een ritje op de Eenhoorn, en dat het wichtje nog een ritje meer zou afsmeken, en nog eentje, en nog… Tot ze iets zou gillen dat, als een duivel uit een muziekdoosje, de foorkramer tevoorschijn zou toveren.
De tuigen glommen als spiegels. Je kon jezelf zien in het blinkende metaal: je fronsende voorhoofd, de parelende zweetdruppels, je schichtige ogen.
Bij een Heksendans bleef je treuzelen. Aan twee zijden van wat eigenlijk een draaimolen was verrezen huisjes van peperkoek, waarin later waarschijnlijk de kassa’s gehuisvest zouden worden. Fel geverfde heksen op bezemstelen vlogen rond grote ketel van bordkarton, boven een brandstapel van gloeilampen.
Je probeerde een praatje aan te knopen met de foorkramer van de Heksendans. Nu ja, praatje... in koetjes en kalfjes ben je nooit goed geweest.
‘Is de Carrousel uit de Hel er niet bij?’ informeerde je.
‘Pardon?’
‘Op elke grote kermis kom je ‘m tegen: de Sinksenfoor van Antwerpen, de Foire du Trône van Parijs, de Oktoberfeste van München… Een krakend, rook uitbrakend, roestig onding met zo van die mythische wezens op…’
De kerel schudde nors het hoofd. Geen Carrousel uit de Hel gezien, beweerde hij. Trouwens ook niet op de Sinksenfoor of de andere kermissen die je daar noemde. En hij deed ze toch allemaal.
Je vertrouwde de vent maar half, en je was dus ook maar half gerustgesteld. Maar anderzijds, het kon best wel kloppen, natuurlijk. Dat van de Sinksenfoor en de Foire du Trône en de Oktoberfeste had je verzonnen: die illustere namen had je gevonden op de affiche aan de achterkant van de kassa van de Heksendans. De Carrousel uit de Hel deed zelfs geen gewone dorpskermissen aan, laat staan een toch wel vrij grote foor als die van het Aalsterse Carnaval. Hij moest zijn prooien elders zien te vinden. Hier kon hij alleen maar problemen krijgen.
Dat was de rede die sprak. Maar ik moet je niet vertellen dat de rede het wel eens meer moet afleggen tegen het gevoel, nietwaar? Hoewel de kust perfect veilig leek, bleef je je zorgen maken. Het was sterker dan jezelf. Je had het al sinds die dag in 1973, toen het kermis was in de hel…

‘Het is kermis in de hel.’
Je grootvader liet nooit na die oude uitdrukking te gebruiken, wanneer de zon scheen… en het tegelijk regende.
Jij was elf jaar oud in 1973, toen je terugkeerde van een urenlange zwerftocht door de velden en weiden en bossen achter Duivelsput en Galgenberg, die voor het gemak werden aangeduid als Ten Bosch. Je bracht nog alle weekends en alle vakanties door bij je grootouders in dat oude huis op de heuvel, die met enige zin voor overdrijving de Boekhoutberg werd genoemd, op de grens tussen Affligem en Erembodegem, Brabant en Oost-Vlaanderen. De smartphone was nog niet uitgevonden, er bestond nog geen PC of internet, muziek werd nog in vinyl geperst en jij ging ’s ochtends bij de boer aan de voet van de Boekboutberg nog om een kan melk, recht van de koe. En jij keerde terug van een van je zwerftochten, langs Duivelsput en Galgenberg en het geheimzinnige Domein Verbrugghen. In een schuur had je geschuild voor het zomeronweer en nu, terwijl het nog wat nadruppelde, was het kermis in de hel.
Al sinds 1937 stelden de paters van Affligem alles in het werk om de diabolische vloeden van de Duivelsput te neutraliseren. Ze sprenkelden kwistig wijwater in het rond en voerden zelfs een heus exorcisme uit in het Domein Verbrugghen, dat ze ten slotte perfect veilig verklaarden – zo veilig zelfs dat ze er niet voor terugschrokken als een teken van hun suprematie op deze sinds onheuglijke tijden verdoemde site een jeugdcentrum te bouwen. En om nog te benadrukken dat de verlichte mens van de twintigste eeuw hoegenaamd niets meer te vrezen had van de demonen van de Duivelsput, legden ze er een zeer werelds – zelfs  frivool, bijna blasfemisch – atletiekterrein aan, met een looppiste waar beroemde sportlui kwamen trainen, zoals Roger Moens, de zilveren held van de 800 meter in Rome. Maar de bewoners van de Duivelsput sloegen terug, en telkens wanneer het kermis in de hel was, verscheen precies daar hun zwarte Carrousel.
Eerste hoorde je hem – de woest stampende muziek van zijn mechanische Gavioli orgel. Daarna rook je hem ook; een stoomcarrousel die zijn beste tijd al decennia achter de rug had, en fluimen uit de hel leek op te hoesten. En ten slotte zag je hem op het grasveld staan schitteren in het infernale zonlicht, omarmd door de looppiste van het atletiekterrein.
En je wilde ‘m niet zien – maar je moest hem wel zien. Onweerstaanbaar werd je naar ‘m toe getrokken, alsof deze toch al zo vreemde draaimolen ook ingebouwde magneten bezat, die reageerden op mensenvlees. Hier waren ook geen leuke paardjes, vrolijke brandweerwagens of vriendelijke politiecombi’s te bespeuren, maar figuren die je eerder verwachtte te zien opdagen in je nachtmerries: een gifgroene poliep met grijpgrage tentakels, een paarse koboldachtige dwerg met een vuurrode tong, iets dat leek op een monsterachtige kruising van een mens en een gigantische hond, een fosforescerende UFO die eigenlijk een schommel was in de vorm van een schijf en met kettingen aan een stang bevestigd was, zodat je ging vliegen als de carrousel zijn rondjes begon te draaien.
Het meisje zat in de UFO. Ze was zeventien – maar dat kon jij niet weten. Je zag alleen dat ze al borsten had. En dat het niet klopte.
Het plotselinge opduiken van deze ouderwetse draaimolen, precies op het moment dat jij hier voorbij kwam, precies op deze plek – in het midden van het grasveld, omarmd door de atletiekpiste. Het astmatische puffen en hijgen van de stoommachine, de vieze grijze dampen die de lucht verpestten. En dat het meisje zo helemaal alleen in het midden van deze gedrochten zat, die zo leken weggelopen uit een schilderij van Jeroen Bosch.
Maar die kende jij natuurlijk niet. Nog niet.
Op een houten bord was de naam van het onding geschilderd: J.P. Graetmaeghers Carrousel uit de Hel. De draaimolen beschreef heel traag nog een laatste rondje en toen viel ook het Gavioli orgel langzaam stil. En in die oorverdovende stilte hoorde je het meisje zeer meisjesachtige kreetjes slaken.
‘O! Is het al voorbij? Kunnen we nog één ritje maken? Asjeblief? Eén ritje maar!’
En toen verscheen daar als een duiveltje uit een doosje het personage dat ongetwijfeld J.P. Graetmaegher moest zijn. Zo zag hij er in ieder geval uit: langgerekt en lichtjes gebogen, met een onmogelijk lange en dunne hals, als een aasgier in een anachronistische jas van zwart fluweel gestoken. En ook aan J.P. Graetmaegher klopte helemaal niets: de koolzwarte ogen in de wasbleke doodskop niet, het gezicht dat aan een masker deed denken, doorkerfd met rimpels als donkere groeven. En hoe hij geen spier vertrok, zelfs niet met de ogen knipperde terwijl hij op welhaast mechanische wijze, als een door stoom aangedreven automaat, op het meisje toe liep.
J.P. Graetmaegher maakte hoekig een bekend gebaar met duim en wijsvinger. ‘En hoe wil de juffrouw dat betalen?’
De juffrouw giechelde. ‘Ik vind altijd wel een vriendelijke heer bereid om mij te trakteren op een ritje, in ruil voor een kleine wederdienst.’
J.P. Graetmaegher keek demonstratief om zich heen, en toen viel zijn blik op jou. Er werd van twee kanten aan jou getrokken – aan je rechterhand door je gezond verstand dat je hier zo snel mogelijk weg wilde, aan je linkerhand door je zeer vleselijke fascinatie voor dit meisje, en de Geheimen van het Verbodene die zij vertegenwoordigde – en bijgevolg was je blijven staan.
‘Ik zie hier niemand behalve die knaap daar.’
De benige vinger van de foorkramer die jouw richting uit priemde. En dat je luidkeels wilde protesteren omdat hij jou ‘knaap’ had genoemd in haar bijzijn. Maar hoe zij je spottend opnam en het toen uitproestte.
‘O wat een lieve jongen! En… heb jij al zin in een ritje, maatje? Met mij?’
En of je zin had in een ritje! Onwillekeurig, beetje wankel, deed je nog een stap in haar richting.
‘Betaal jij dan voor ons twee?’
Manhaftig overwon je de angst en weerzin voor de wezens van de Carrousel, en je tastte in je broekzak naar het kleingeld dat je daar had, om snoep mee te kopen in het snoepwinkeltje aan de voet van de Boekhoutberg. Maar voor je kon vragen of vijf frank voldoende was, dook daar alweer uit het niets een alweer volstrekt anachronistisch heerschap op. Deze keer was het een lange slanke meneer van een jaar of veertig, met een ovaalvormig gezicht en een geprononceerde kin, gekleed in een lange en veel te warme gabardine, en met een deukhoed op het hoofd. Pas later zou je hem menen te herkennen op een foto waaronder de naam ‘H.P. Lovecraft’ gedrukt stond.
‘Met dit kind kunnen jullie toch niks aanvangen!’ riep de heer uit, met een accent dat je toen nog niet kon identificeren. ‘En bovendien, deze jongen is van mij!’
En de meneer greep je bij de arm en hield je tegen… en redde met dat gebaar je leven.
Het meisje van haar kant haalde de schouders op. ‘Dan zul je me… gewoon moeten laten rijden! Nietwaar?’
Ze giechelde weer, hoog en schel, en toen J.P. Graetmaegher niet reageerde, boog ze zich naar hem over, nam zijn hand tussen haar beide handen en legde die tussen haar borsten.
‘Toe? Asjeblief? Eén ritje maar? Het allerlaatste! En daarna mag je alles hebben wat ik heb!’
De gespleten tong van de J.P. Graetmaegher glipte uit zijn mond, en over zijn natte lippen. ‘Alles?’
‘Alles!’
Hij kneep in haar borst, ik kon het duidelijk zien. ‘Voor een laatste ritje?’
‘Voor een allerlaatste ritje!’
‘Maar… Stel… Mocht ik de Duivel zijn…?’
‘Dan sleep je me daarna maar mee naar je Hol in de Hel!’ riep het meisje uit, blozend van opwinding, uitbundig en dwaas.
J.P. Graetmaegher knikte, een stoomfluit gilde, de ketel pufte en toen leek het Gavioli orgel zichzelf slepend in gang te trekken, terwijl ook de carrousel traag en krakend weer in beweging kwam en de Eenhoorn en de Draak, de Kwelgeest en de Gehangene hun eeuwige cirkelgang hernamen.
Langzaam maar zeker steeds sneller ging het, tot de draaimolen op kruissnelheid was gekomen. En toen ging ie nog een tikje sneller. En nog wat. En nog.
Het orgel dreunde, het mechanisme knarste en knerste, de planken kraakten en het meisje gilde, schril en snerpend – het geluid drong door merg en been. De heer die je had belet samen met haar een ritje te maken hield je hand in een klem, je had de ogen stijf dicht geknepen want je wilde niet zien wat nu, onherroepelijk, te gebeuren stond – en als je het had gekund, zou je ook de oren dichtgeknepen hebben:  de combinatie van het orgel dat op een al te hoog toerental draaide en het panische huilen van het meisje was ondraaglijk.
Maar opnieuw was het sterker dan jezelf, en zoals ook een ramptoerist gehoor verleent aan een drang waaraan hij niet kan weerstaan,  gluurde je op een zeker moment door je tot spleten getrokken ogen naar buiten… En zag je het meisje als een kleurrijke veeg in haar ongeïdentificeerd vliegend object draaien en tollen… tot de kettingen braken en de UFO werd gelanceerd en richting Duivelsput gekatapulteerd.
Bevend op mijn benen had je de ogen weer stijf dicht geknepen.
De vriendelijke heer liet je hand los en prevelde een gebed, dat je pas vele jaren later zou kunnen reconstrueren:

 

In Necropo Lies a Belle Fonteyne

And We All Go Merry Go Round

In Necropol Isabelle Fonteyne

And We All Go Merry Go Haunt!

 

Hij slaakte een zucht, liet de stilte even duren en vervolgde: ‘Het is nog eens voorbij, mijn jonge vriend. Ergens in de buurt werd een oud meisje alweer herboren in een nieuw lichaam, en zo herhaalt haar geschiedenis zich telkens weer, tot het einde der tijden… of tot iemand haar plaats inneemt in de Carrousel uit de Hel van Joost P. Graetmaegher. En waar de P voor staat? Joost mag het weten… Ik denk voor Pieter of Piet, zoals in Pietje de Dood.’
En hij drukte iets in je hand – iets dat hard en plat was en met papier omwikkeld. Voorzichtig opende je de ogen, en waarom verwonderde het je niet dat daar voor jou alleen grasveld te zien was, en niets meer? Van de Carrousel uit de Hel viel geen spoor meer te bekennen, de vieze stank was weggewaaid en alle damp opgelost en het was zelfs geen kermis meer in de hel.
‘Hier, mijn jonge vriend. Neem dit van me aan. Beschouw het als een amulet, een talisman. Hou het goed bij. Ongetwijfeld komt het je ooit nog van pas.’
De wikkel bleek een stuk krantenpapier te zijn van de Gazet van Assche, jaargang 1905,  waarop je nog onder meer dit fragment kon lezen:
  
… brak de ketting, die haar met hare luchtballon aan de Merry-Go-Round vasthechtte, en is zij ten gronde neergestort, waarbij het nekbeen werd verbrijzeld. Aangezien dit schrikkelijk ongeluk in de nabijheid ener hospitaal plaatsvond, werd de verongelukte nog naar dit gesticht overgebracht, waar evenwel alleenlijk de dood kon worden vastgesteld. Haar jammerlijk verbrijzeld lichaam werd overgebracht naar het openbaar lijkhuis van Assche, en aangezien zich geen familieleden of vrienden van de verongelukte aandienden, en ook haar naam niet is gekend, zal zij door het Burgerlijke Godshuis ter aarde worden besteld.
(FL) 

 
De talisman bleek een rechthoekig en plat wit schijfje te zijn, bestaande uit metaal en plastic, met een donker venstertje. Het was bevestigd aan een wit koordje, zodat je het om de hals kon hangen. Er waren vier geheimzinnige tekens aangebracht in het plastic van wat wellicht de platte bovenkant van de talisman was: een V, een M, een dubbele pijl naar boven, een dubbele pijl naar beneden, en een pijltje dat naar rechts wees, en met de punt vastzat in twee verticale streepjes.
Op de metalige achterkant stond onder meer te lezen dat dit een digital audio player was, met voice recorder, made in China. Naast nog meer onbegrijpelijke tekens zat er een stickertje op met in een blauwgroen ovaal de melding 1GB, en voor de rest was er ook nog deze tekst, die daaronder in het Frans werd vertaald:

Zet de speler aan door de on/off knop naar boven te schuiven en vervolgens de play knop (>II) 2 seconden ingedrukt te houden.

Je hebt de on/off knop onderaan het schijfje (waar ook nog een rond en een rechthoekig gaatje zaten) naar boven geschoven en vervolgens de play knop een eeuwigheid ingedrukt gehouden, maar er gebeurde niets.
Nu ik het vertel, herinner je het je ongetwijfeld weer. Waarschijnlijk vind je de digital audio player nu wel terug, in de oude zeemanskist waarin je wat souvenirs van je kinderjaren hebt bewaard. Zoek de ‘talisman’ ergens helemaal onderaan, want eigenlijk wilde je niet echt meer herinnerd worden aan het tafereel dat erbij hoorde – maar je durfde ‘m ook niet van de hand doen, nietwaar?
Ongetwijfeld krijg je de digital audio player in dit digitale tijdperk nu wel aan de praat.  Je zult merken dat ik toen, in 1973, op een moment dat geluid nog uitsluitend met een bandopnemer werd gecapteerd, de recorder functie heb gebruikt.